Erkenning van een kind in België

De erkenning van een kind verloopt in drie fasen:

  1. Aangifte erkenning met voorlegging documenten
  2. Opmaak akte van aangifte
  3. Akteren van de erkenning

Aangifte erkenning met voorlegging documenten

Als je een kind wil erkenen, moet je hiervan aangifte doen bij de ambtenaar van burgerlijke stand:

  • van de geboorteplaats van het kind
  • of van de gemeente waar jezelf of de andere ouder je inschrijving hebt in het bevolkings-, vreemdelingen- of wachtregister
  • of van de actuele verblijfsplaats van jezelf of de andere ouder

 Bij de aangifte van de erkenning, moet je een aantal documenten voorleggen (artikel 327/2 Burgerlijk Wetboek):

  • voor eensluidend verklaard afschrift van de geboorteakte van het kind, van de persoon die de erkenning wil doen en van de ouder ten aanzien van wie de afstamming vaststaat. Als het onmogelijk, of zeer moeilijk is, om een geboorteakte voor te leggen voorziet de wet een aantal alternatieven, naar analogie met de huidige regeling in het kader van een huwelijksaangifte (zoals opgenomen in artikelen 70-72ter BW). Je kan vervangende documenten voorleggen volgens een cascadesysteem:
    • Kan je je geboorteakte niet bekomen? Dan kan je je geboorteakte vervangen door een consulair geboorteattest.
    • Kan je ook geen geboorteattest bekomen? Dan kan je terugvallen op een akte van bekendheid.
    • Kan je ook geen akte van bekendheid bekomen? Dan kan je terugvallen op een beëdigde verklaring.
  • identiteitsbewijs van de persoon die het kind wil erkennen en van de ouder ten aanzien van wie de afstamming vaststaat. In principe doe je dat met een identiteitskaart of een paspoort. Kan je geen identiteitskaart of paspoort voorleggen, dan kan de ambtenaar van de burgerlijke stand elk ander document aanvaarden dat je identiteit bewijst. Bijvoorbeeld een rijbewijs of laissez passer met foto. Er moet altijd een foto staan op het voorgelegde identiteitsbewijs. Tenzij die eis onredelijk zou zijn.
  • bewijs van nationaliteit van de persoon die het kind wil erkennen en van de persoon ten aanzien van wie de afstamming vaststaat.
  • bewijs van inschrijving / actuele verblijfplaats van de persoon die het kind wil erkennen en in voorkomend geval, van de ouder ten aanzien van wie de afstamming vaststaat. Het voorleggen van dit bewijs is gericht op het bepalen van de territoriale bevoegdheid van de ambtenaar van burgerlijke stand. Bijgevolg volstaat het voorleggen van één bewijs van inschrijving of actuele verblijfplaats van een van de drie betrokkenen (erkenner, andere ouder of kind). Als de erkenning gebeurt bij de ambtenaar van burgerlijke stand van de gemeente van geboorte van het kind, hoeft er geen bewijs van inschrijving of actuele verblijfplaats te worden voorgelegd. 
  • een bewijs van ongehuwde staat, maar enkel indien er volgens het op hem/haar toepasselijke recht een beletsel is om een kind te erkennen bij iemand anders dan de eigen echtgenoot/echtgenote. Als het Belgische recht van toepassing is op de erkenning door een door het Wetboek IPR voorziene exceptie (artikel 3§3, 15, 19 of 21 Wetboek IPR), hoeft er geen bewijs van ongehuwde staat van de erkenner te worden voorgelegd (omzendbrief 21 maart 2018). 
  • bewijs van ongehuwde staat van de moeder, maar enkel indien prenatale erkenning of erkenning op het moment van de geboorte. Als er al een geboorteakte van het kind is opgemaakt waaruit alleen de moederlijke afstamming blijkt, mag er geen bewijs van ongehuwde staat van de moeder worden gevraagd. 
  • eventueel een bewijs van de door de toepasselijke wet vereiste toestemming als de aangifte van erkenning door slechts  één van de betrokkenen gebeurt
  • een zwangerschapsattest in geval van een prenatale erkenning
  • eventuele wetscertificaten in geval van toepasselijkheid buitenlands recht. De omzendbrief van 21 maart 2018 preciseert dat de ambtenaar van burgerlijke stand blijk moet geven van enige soepelheid wat de voorlegging van het wetscertificaat betreft, indien hij zelf de inhoud van het vreemde recht kan achterhalen of de inhoud op een andere wijze wordt aangetoond.

Indien dit akten van de burgerlijke stand betreft die in België zijn opgemaakt, of overgeschreven, dan vraagt de ambtenaar burgerlijke stand de documenten zelf op (art. 327/2 § 2 en 3 BW). Indien de betrokkene is ingeschreven in het bevolkings- of vreemdelingenregister, volstaat een uittreksel uit het Rijksregister als bewijs van nationaliteit, van burgerlijke staat en van inschrijving (art. 327/2 § 4 BW).

De omzendbrief van 21 maart 2018 bij de wet schijnerkenningen preciseert dat het aangewezen is dat de gemeente rekening houdt met de situatie van de persoon in kwestie en met het feit of men gelet op die situatie al dan niet een beroep kan doen op zijn nationale overheid. Wat betreft de geldigheidsduur van de voor te leggen documenten, wijst de omzendbrief op drie belangrijke principes waarmee de ambtenaar moet rekening houden:

  • de moeilijkheidsgraad om bepaalde documenten te verkrijgen
  • het feit dat het document al eerder werd voorgelegd
  • de afwezigheid van indicaties dat de situatie van de persoon gewijzigd is sinds de aflevering van het document

Deze indicaties wijzen erop dat het niet correct zou zijn om een standaard geldigheidsduur te hanteren die in alle gevallen moet worden gerespecteerd.

Als je alle documenten hebt voorgelegd, moet de ambtenaar van burgerlijke stand je een bericht van ontvangst geven.

Opmaak akte van aangifte

De akte van aangifte van erkenning moet worden opgemaakt binnen een maand na de afgifte van het bericht van ontvangst. Deze termijn kan verlengd worden met twee maanden als de ambtenaar van de burgerlijke stand twijfels heeft over de geldigheid of de echtheid van de documenten. Als er binnen deze termijn geen beslissing komt over de geldigheid of echtheid van de documenten, moet de ambtenaar de akte van aangifte van erkenning opstellen.

Akteren van de erkenning

De ambtenaar van de burgerlijke stand kan de erkenning onmiddellijk na het opstellen van de akte van aangifte akteren. Artikel 330/2 B.W. voorziet in de mogelijkheid om de erkenning uit te stellen of te weigeren. De erkenner en de personen die hun toestemming moeten geven (de andere ouder en in voorkomend geval het kind) moeten in principe aanwezig zijn bij het akteren van de erkenning. De erkenner kan echter ook een bijzondere en authentiek volmacht geven aan een andere persoon om de erkenning in zijn plaats te doen. 

Wat is een frauduleuze erkenning?

Er is sprake van een frauduleuze erkenning of schijnerkenning als  “uit een geheel van omstandigheden blijkt dat de intentie van de erkenner, kennelijk enkel gericht is op het voor zichzelf, voor het kind of voor de persoon die zijn voorafgaande toestemming moet geven, bekomen van een verblijfsrechtelijk voordeel dat verbonden is aan de vaststelling van de afstammingsband.” (artikel 330/1 Burgerlijk Wetboek). Het gaat dus om het vaststellen van een afstammingsband met een kind met als enig doel om een verblijfsrecht te bekomen voor een van de betrokkenen.

Artikel 330/1 van het Burgerlijk Wetboek is een voorrangsregel of politiewet (artikel 20 Wetboek IPR). Dat betekent dat deze voorrangsregel telkens toegepast moet worden als de vaststelling van de afstammingsband voor minstens een van de betrokkenen een verblijfsrechtelijk gevolg kan hebben, ook als op basis van artikel 62 Wetboek IPR het vastgestelde toepasselijke recht niet het Belgische recht is.

Waneer is er geen frauduleuze erkenning?

De juridische afstammingsband die ontstaat tengevolge van een erkenning blijft losgekoppeld van de biologische realiteit: er hoeft dus geen biologisch verwantschap zijn om een erkenning te kunnen doen. Niet elke vaststelling van een niet-biologische afstammingsband is dus frauduleus. Enkel als de erkenner de uitsluitende bedoeling heeft om een verblijfsrechtelijk voordeel te komen voor hemzelf, het kind of de andere ouder. De wetgever koos daarom voor de term frauduleuze erkenning in plaats van schijnerkenning. Omgekeerd kunnen situaties waarin er wel sprake is van biologisch verwantschap tussen de erkenner en het kind, wel als frauduleus aanzien worden.

Combinatie van factoren

De omzendbrief met het oog op de strijd tegen de frauduleuze erkenningen van 21 maart 2018 geeft een overzicht van indicatoren die in combinatie met elkaar kunnen wijzen op een frauduleuze erkenning :

  • de aangever heeft een groot aantal kinderen erkend bij verschillende partners, al dan niet met verblijfsrechtelijke gevolgen
  • de aangever en de moeder hebben elkaar voor de erkenning nooit ontmoet
  • de aangever en de moeder kennen elkaars naam of nationaliteit niet
  • de aangever en de moeder hebben geen affectieve relatie gehad hebben geen gezin gevormd of minstens verbleven op hetzelfde adres
  • de aangever kan onmogelijk de biologische vader van het kind zijn op basis van het attest van zwangerschap
  • de aangever en de moeder weten niet waar de andere werkt
  • verklaringen over de omstandigheden van de ontmoeting of relatie lopen manifest uiteen
  • één van de partijen bevindt zich in een zwakke sociale positie (bijvoorbeeld alleenstaande moeder)
  • de aangever is gehuwd met een andere persoon of leeft samen met een andere persoon dan de andere ouder van het kind
  • een som geld of andere waardevolle goederen worden beloofd voor de erkenning van het kind of om een voorafgaande toestemming in de erkenning te geven
  • er is sprake van een georganiseerd karakter (bijvoorbeeld gebruik van een tussenpersoon)
  • de aangever of de andere ouder heeft al een of meerdere pogingen gedan om een frauduleuze erkenning te laten akteren
  • de aangever of de andere ouder is niet geslaagd in alle wettelijke mogelijkheden om zich in België te vestigen: wanneer één van de partijen zich in een illegale of precaire verblijfstoestand bevindt, eerdere verblijfsaanvragen telkens werden geweigerd, bevelen om het grondgebied te verlaten werden genegeerd, bestaat er een risico dat men via de erkenning van het kind zijn verblijfssituatie wil regulariseren

De ambtenaar van burgerlijke stand kan zich onder meer baseren op:

  • nagetrokken verklaringen of getuigenissen van de partijen zelf of van derden
  • bepaalde geschriften van de partijen zelf of van derden
  • onderzoeken door politiediensten

De omzendbrief wijst op het feit dat het recht op afstamming of vaststellen van een afstammingsband wordt gegarandeerd door artikel 8 van het EVRM, artikel 23 BUPO en artikel 7.1 van het IVRK en dat dit recht niet verbonden is aan de verblijfstoestand van de betrokken partijen. De ambtenaar van de burgerlijke stand mag de opmaak van de akte van aangifte van erkenning of de akte van erkenning kan dus niet weigeren louter omwille van het feit dat een van de partijen geen verblijfsrecht heeft.

Controle op frauduleuze erkenning

Uitstel van opmaak van erkenningsakte en bijkomend onderzoek

Bij een ernstig vermoeden van frauduleuze erkenning kan de ambtenaar van de burgerlijke stand het opstellen van de erkenningsakte met twee maanden uitstellen. Deze termijn begint te lopen vanaf de opmaak van de akte van aangifte van erkenning. Tijdens de periode van uitstel kan de ambtenaar aan het parket vragen om advies of om bijkomend onderzoek te verrichten of het om een mogelijke frauduleuze erkenning gaat.

Het parket kan de termijn nog eens verlengen met drie maanden. In dat geval brengt hij de ambtenaar van de burgerlijke stand ervan op de hoogte, die op zijn beurt de betrokkenen verwittigt. Hij doet dat best door een aangetekend schrijven of door rechtstreekse overhandiging tegen ontvangstbewijs.

In totaal kan de overheid het opstellen van de erkenningsakte met maximaal vijf maanden na het opstellen van de akte van aangifte uitstellen. Als de ambtenaar van de burgerlijke stand binnen de termijn van twee maanden, eventueel verlengd met drie maanden, nog geen definitieve beslissing heeft genomen, moet hij de erkenningsakte onmiddellijk opmaken.

De ambtenaar van burgerlijke stand weigert de erkenningsakte op te maken

Als de ambtenaar van de burgerlijke stand vaststelt dat het gaat om een frauduleuze erkenning, zal hij weigeren om de erkenningsakte op te stellen. In dat geval zal:

  •  de ambtenaar een gemotiveerde weigeringsbeslissing ter kennis brengen van de betrokkenen door een aangetekend schrijven met ontvangstmelding of door rechtstreekse overhandiging tegen ontvangstbewijs aan de betrokkenen. De kennisgeving moet vermelden dat de betrokkenen de mogelijkheid hebben om een onderzoek naar de het vaderschap of meemoederschap  in te stellen bij de familierechtbank.
  •  tegelijkertijd wordt een afschrift van de weigeringsbeslissing gestuurd naar het parket en naar de Dienst Vreemdelingenzaken

Beroep

Als de ambtenaar van de burgerlijke stand weigert om de erkenning te akteren, kan de persoon die de afstammingsband wil laten vaststellen een vordering tot onderzoek naar het moederschap, vaderschap of meemoederschap instellen bij de familierechtbank.

Kritische opmerking

De wet en de omzendbrief van 21 maart 2018 voorzien als beroepsmogelijkheid tegen de weigeringsbeslissing van de ambtenaar van burgerlijke stand de gerechtelijke vaststelling van moederschap, vaderschap of meemoederschap. Zoals de Raad van State in haar advies bij de voorontwerp van wet opmerkte, is dit echter geen eigenlijk beroep tegen de eventuele weigeringsbeslissing van de ambtenaar van burgerlijke stand. Een erkenning en een gerechtelijke vaststelling zijn immers twee verschillende wijzen om een de afstammingsband vast te leggen met andere voorwaarden. De Raad van State besloot dat er een schending was van het recht op daadwerkelijk rechtsmiddel dat wordt gewaarborgd door artikel 6 van het EVRM.

Sancties

Nietigheid van een erkenning

Het parket kan de nietigverklaring van een erkenning vorderen bij de familierechtbank als het gaat om een frauduleuze erkenning. De familierechtbank zal zich vervolgens uitspreken het verzoek tot nietigverklaring. Tegen een nietig verklaarde erkenning kan je hoger beroep aantekenen bij het hof van beroep.

Niet erkenning van een buitenlandse akte

Een afstammingsband kan ook in het buitenland zijn vastgesteld. De Belgische overheid zal een buitenlandse akte van erkenning niet erkennen als ze meent dat er sprake is van een frauduleuze erkenning in de zin van artikel 330/1 van het Burgerlijk Wetboek. Bij een weigering tot erkenning van een buitenlandse erkenningsakte, kan je een verzoek tot erkenning van je buitenlandse akte richten aan de familierechtbank. Dat kan in een procedure op eenzijdig verzoekschrift (artikel 23 Wetboek IPR). 

Beroep bij het Grondwettelijk Hof

Er werd op 19 maart 2018 een vernietigingsberoep ingediend bij het Grondwettelijk Hof tegen de wet schijnerkenningen. De belangrijkste grieven van de elf organisaties die het beroep indienden zijn:

  • het belang van het kind wordt over het hoofd gezien
  • gebrek aan effectieve beroepsmogelijkheid tegen beslissing van de ambtenaar van burgerlijke stand
  • discriminatie tussen kinderen geboren in België
Extra informatie