Raad voor Vreemdelingenbetwistingen
217.728
BGV – beëindiging verblijf – art. 44bis, § 2 Vw. – openbare orde – Syriëstrijder – terroristische bedreiging – OCAD – staatsveiligheid – SIS-seining – geen verplichting voor politie- en veiligheidsdiensten om bronnen openbaar te maken – verwerping

Verzoeker stelt ter terechtzitting nog dat hij, nadat verweerder het administratief dossier had neergelegd, heeft kunnen vaststellen dat in de verslagen en mededelingen van de VSSE, van OCAD, van de Federale Gerechtelijke Politie en van de Franse overheden geen bronnen worden vermeld en dat het derhalve niet mogelijk is om de informatie die in deze verslagen is opgenomen en de bronnen waarop zij steunen op een effectieve manier tegen te spreken. Hij betoogt ook dat het dus niet uit te sluiten valt dat alle verslagen slechts op éénzelfde bron van informatie stoelen en dus niet is bewezen dat er sprake is van een combinatie van congruente elementen. Het feit dat in de verslagen van de verschillende diensten waarop verweerder een beroep deed om de bestreden beslissing te nemen de precieze bronnen niet zijn weergegeven, heeft niet tot gevolg dat verzoeker de inhoud van deze verslagen niet kan weerleggen en derhalve niet over een eerlijke beroepsprocedure beschikt. De feitelijke gegevens waarop de politie- en veiligheidsdiensten zich baseren zijn immers duidelijk weergegeven in de verslagen van deze diensten en/of in de bestreden beslissing. De politie- en veiligheidsdiensten hebben ook niet steeds de verplichting om hun bronnen kenbaar te maken en het enkele feiten dat bronnen niet worden vermeld impliceert in casu niet dat dient te worden aangenomen dat de door gespecialiseerde diensten aangeleverde informatie niet correct is. Eén van de kernelementen waarop de bestreden beslissing is gebaseerd is het feit dat in verschillende verslagen wordt aangegeven dat verzoeker een terroristische organisatie heeft vervoegd en actief betrokken was bij de gewapende strijd in de regio Syrië/Irak eind 2013 en/of begin 2014. Verzoeker, van wie niet blijkt dat hij in voormelde periode in België verbleef, brengt geen stuk aan waaruit kan worden afgeleid dat hij zich niet in de regio Syrië/Irak bevond. Hij beperkt zich, blijkens de aan de Raad voorgelegde stukken, tot niet eensluidende en weinig consistente verklaringen omtrent zijn langdurige afwezigheid uit het Rijk. Zo kan in het door verzoeker voorgelegde proces-verbaal worden gelezen dat hij verklaarde dat hij in maart of april 2014 naar Tsjetsjenië reisde om familie te bezoeken dat hij daar in juni 2014 ziek werd – wat zou impliceren dat een familiebezoek verschillende maanden duurde – en blijkt uit een gehoorverslag dat hij ook verklaarde dat hij een paar maanden in Turkije verbleef om werk te zoeken. Indien verzoeker meent dat verweerder of de verschillende diensten die verweerder inlichtingen aanleverden niet uitgingen van een correcte feitenvinding in dit verband, dan kon hij dit, in tegenstelling tot wat hij ter terechtzitting voorhoudt, nochtans relatief eenvoudig aantonen. Het kon immers volstaan een kopie van zijn reispas neer te leggen waardoor zijn reisbewegingen in die periode konden worden vastgesteld. Geconfronteerd met deze vaststelling stelt verzoekers raadsvrouw ter terechtzitting dat niet kan worden uitgegaan van de veronderstelling dat hij een paspoort heeft. Verzoeker kan echter niet terzelfdertijd voorhouden dat hij vanuit België naar zijn familieleden in de Russische federatie en terug reisde en dat hij naar Turkije reisde om er werk te zoeken en dat hij geen internationaal reispaspoort heeft. Dergelijk document is immers vereist om de reizen waarnaar verzoeker verwijst te kunnen ondernemen en verzoeker bracht het bewijs aan dat hij vanaf 9 juni 2014 ook effectief in het buitenland verbleef. Ook het betoog dat mag worden verwacht dat hij op onwettige wijze de grenzen overschrijdt om zich naar zijn land van herkomst te geven gezien zijn Tsjetsjeense origine kan niet worden aanvaard. Uit de aan de Raad voorgelegde stukken blijkt dat werd vastgesteld dat verzoeker niet in aanmerking kwam voor de toekenning van een internationale beschermingsstatus, zodat niet kan worden besloten dat dient te worden uitgegaan van de veronderstelling dat hij omwille van zijn Tsjetsjeense origine niet op legale wijze zou kunnen terugkeren naar zijn land van herkomst. Zelfs indien zou dienen te worden aangenomen dat de verschillende rapporten en analyses omtrent verzoeker werden opgesteld op basis van één en dezelfde bron – hetgeen niet zonder meer kan worden aangenomen gelet op de kleine verschilpunten in de inlichtingen van de Federale Gerechtelijke Politie en van de VSSE en het feit dat diensten in een ander land verzoeker evenzeer seinden om redenen van staatsveiligheid –, dan nog toont verzoeker niet aan dat de inhoud van deze rapporten geen correcte weergave is van de realiteit. In zoverre verzoeker ter terechtzitting nog verwijst naar de overwegingen van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in het arrest nr. 23038/15 van 12 juni 2018 (Gaspar v. Rusland) dient te worden opgemerkt dat de omstandigheden die aanleiding gaven tot voormeld arrest niet volledig vergelijkbaar zijn met deze in voorliggende zaak. Er is in casu immers, gezien voorgaande vaststellingen, geen sprake van een situatie waarbij de gegevens die worden aangewend om te duiden dat verzoeker een gevaar vormt voor de nationale veiligheid geheim worden gehouden waardoor hij niet in de mogelijkheid is om de beweringen van de politie- en veiligheidsdiensten tegen te spreken of de juistheid ervan te weerleggen door het aanvoeren van stukken die hem vrijpleiten of die hem een alibi verschaffen.

 

Daar verweerder zich informeerde omtrent het actuele gevaar dat verzoeker kon vormen en het OCAD op 8 augustus 2017 de eerdere evaluatie dat verzoeker een gevaar vormt voor de samenleving omwille van zijn intentie om te schaden, zijn capaciteit om actie te ondernemen, zijn gevechtservaring, zijn banden met het Kaukasisch emiraat, het gegeven dat hij voor deze groep aan fondsenwerving doet en hij extremistische milieus blijft frequenteren bevestigde, maakt verzoeker door erop te wijzen dat “de feiten […] dateren van 2013 en 2014” niet aannemelijk dat verweerder het actueel karakter van het gevaar dat hij vormt foutief beoordeelde.

 

Verzoekers betoog dat “een mogelijke dreiging” onvoldoende is om, met toepassing van artikel 44bis, § 2 van de Vreemdelingenwet, een einde te stellen aan zijn verblijfsrecht gaat voorbij aan het feit dat verweerder met zijn uitvoerige motivering duidelijk heeft aangegeven dat er van verzoeker een reële dreiging uitgaat.

 

Er wordt geenszins aannemelijk gemaakt dat verweerder enig door verzoeker als relevant omschreven gegeven onterecht buiten beschouwing heeft gelaten en verzoeker kan, gelet op de bewoordingen van de motivering, niet worden gevolgd in zijn bewering dat niet blijkt dat zijn persoonlijk gedrag tijdens zijn verblijf in België werd beoordeeld.

 

In de bestreden beslissing worden de duur van verzoekers verblijf in het Rijk, het sociaal leven dat hij opbouwde met zijn vrouw en zijn kinderen en zijn economische en culturele situatie besproken. Verweerder heeft uiteengezet waarom deze gegevens geen belemmering vormen om de bestreden beslissing te nemen. Zijn betoog dat met deze gegevens onvoldoende rekening werd gehouden mist dan ook feitelijke grondslag.

 

Er blijkt niet dat de determinerende motieven van de bestreden beslissing incorrect zijn of het gevolg zijn van een kennelijk onredelijke appreciatie van de voorgelegde stukken of dat verweerder de appreciatie-bevoegdheid waarover hij beschikt heeft overschreden.