Raad voor Vreemdelingenbetwistingen
203.247
Asielzoeker – Afghanistan – medewerkingsplicht – onderzoek naar intern vestigingsalternatief – art. 48/5 Vw. - schoonbroer in Kaboel – vermelding op Facebook – geen bewijs van intense familieband – persoonlijke omstandigheden – relevantie – vernietiging

Wanneer geconcludeerd wordt dat het gebied veilig is en dit gebied voor de vreemdeling ook veilig te bereiken en toegankelijk is vanuit België, dient te worden bezien of in redelijkheid van hem kan worden verwacht dat hij zich daar ook vestigt. Hier komen algemene omstandigheden in dat deel van het land om de hoek kijken en worden persoonlijke omstandigheden van de verzoeker om internationale bescherming relevant.

 

Wat betreft deze persoonlijke omstandigheden, merkt de Raad op dat uit de UNHCR Eligibility Guidelines van 19 april 2016, waarvan de referentie is opgenomen in de bronnenlijst van de COI Focus “Afghanistan. Security situation in Kabul City” van 6 juni 2017, aanwezig in het administratief dossier, blijkt dat een intern vluchtalternatief over het algemeen redelijk is wanneer er bescherming wordt geboden door familie, de gemeenschap of de clan of stam in de beoogde regio van vestiging. UNHCR aanvaardt daarentegen dat alleenstaande mannen en getrouwde koppels in bepaalde omstandigheden zonder ondersteuning van hun familie of hun gemeenschap kunnen leven in stedelijke of semi-stedelijke gebieden die onder de controle van de regering vallen en waar de nodige infrastructuur beschikbaar is om te kunnen voorzien in de elementaire levensbehoeften.

 

In casu meent de verwerende partij dat ze niet kan nagaan of de verzoekende partij in Kaboel over een netwerk beschikt, nu de verzoekende partij ontkent dat haar schoonbroer in Kaboel woont, terwijl op het Facebook-profiel van haar schoonbroer Kaboel als woonplaats vermeld is, en dat de verzoekende partij documenten kreeg opgestuurd vanuit Kaboel. Deze argumenten zijn op zich niet zwaarwichtig genoeg om de verzoekende partij een gebrek aan medewerking te verwijten. Het betreft slechts een print-screen van een algemene vermelding op het Facebook-profiel van deze schoonbroer zonder dat de overige gegevens op het profiel, zoals onder meer degene waarnaar de verzoekende partij in haar verzoekschrift verwijst, onderzocht werden of dat er vragen werden gesteld naar de leef- en werkomstandigheden van de schoonbroer. Daarenboven brengt de verzoekende partij een foto van een oud paspoort van haar schoonbroer bij, waaruit blijkt dat hij in Parwan geboren is. Dit is al in strijd met het Facebook-profiel. Het administratief dossier bevat evenmin informatie waaruit kan worden afgeleid, dat het onredelijke is dat de schoonbroer van de verzoekende partij vanuit Parwan naar Kaboel gereden is om de documenten van de verzoekende partij op te sturen. Voorts toont de verwerende partij niet aan waarom de informatie omtrent deze schoonbroer zo bepalend is voor de medewerkingsplicht in het kader van een intern vestigingsalternatief van de verzoekende partij, nu nergens uit de stukken van het dossier blijkt dat de verzoekende partij ooit bij haar schoonbroer gewoond heeft, van hem afhankelijk is of dat ze een intense familieband hebben, behalve het gegeven dat hij met een zus van de verzoekende partij getrouwd is.

 

Noch uit de stukken van het administratief dossier, noch uit de bestreden beslissing blijkt dat behalve het eventuele netwerk waarover de verzoekende partij desgevallend in Afghanistan beschikt andere persoonlijke omstandigheden die relevant zijn voor de beoordeling van de redelijkheid van het intern vestigingsalternatief in deze beoordeling werden betrokken. Uit artikel 8 van de kwalificatierichtlijn, waarvan artikel 48/5 van de Vreemdelingenwet de omzetting vormt, blijkt ook duidelijk dat de bewijslast van het intern vestigingsalternatief bij de verwerende partij ligt.