Raad voor Vreemdelingenbetwistingen
220.288
Gezinshereniging – echtgenote van erkend vluchteling – religieus huwelijk – niet-gelegaliseerde akte - Somalië – art. 27 WIPR – authentieke akte – art. 12bis, § 5 en § 6 Vw. – cascade-systeem – andere geldige bewijzen – HvJ 13 maart 2019, nr. C-635/17, E. t. Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie – concrete beoordeling individuele situatie – feitelijke vaststellingen en vaststellingen die niet concreet worden gemotiveerd - vernietiging

Uit wat voorafgaat blijkt dat lidstaten, bij gebrek aan de vereiste officiële stukken die de gezinsband bewijzen, dienen over te gaan tot een concrete beoordeling van de individuele situatie en dat de lidstaten ertoe gehouden zijn om voor ieder individueel geval een algehele beoordeling van alle relevante factoren en omstandigheden te maken. Bij de behandeling van verzoeken om gezinshereniging moet een evenwichtige en redelijke beoordeling van alle in het geding zijnde belangen worden gemaakt. Bij deze belangenafweging hebben lidstaten een beoordelingsmarge, rekening houdend met de doelstelling van de richtlijn 2003/86/EG en het nuttig effect ervan. De lidstaten kunnen in deze het verzoek afwijzen indien, op grond van objectieve elementen waarover zij beschikken, duidelijk blijkt dat er sprake is van een frauduleus verzoek om gezinsherenging.

 

Terugkoppelend naar verzoeksters situatie, herhaalt de Raad dat verweerder in zijn bestreden beslissing niet verwijst naar artikel 12bis, §§ 5 en 6 van de Vreemdelingenwet, doch zijn onderzoek kadert in een toepassing van artikel 27 van het WIPR. Zoals hierboven evenwel reeds werd vastgesteld, blijkt een toepassing van voormelde bepaling van het WIPR niet aan de orde in verzoeksters geval. Immers is er geen sprake van een “buitenlandse authentieke akte”. Het enkele gegeven dat verweerder evenwel niet verwijst naar artikel 12bis, §§5 en 6 van de Vreemdelingenwet, dient niet ipso facto aanleiding te geven tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing. Uit een gehele lezing van de bestreden beslissing blijkt immers dat verweerder is overgegaan tot een in concreto onderzoek van de aangehaalde huwelijksband, zoals voorzien in artikel 12bis, §§ 5 en 6 van de Vreemdelingenwet. De vraagt rest of voormeld in concreto onderzoek de toets van de redelijkheid doorstaat. Verzoekster vraagt in deze terecht aan de Raad om “uitspraak te doen over de redelijkheid en de zorgvuldigheid van het gevoerde onderzoek naar de huwelijksband conform artikel 12bis, §§5 en §6 Vreemdelingenwet”.

 

(…)

 

Verzoekster betoogt dat de visumweigering niet steunt op deugdelijke motieven, waarbij zij stelt dat er sprake is van een onzorgvuldig en onredelijk onderzoek. Zij hekelt het gebrek aan een individuele benadering van haar dossier, stelt dat er sprake is van veralgemeningen en dat de huwelijksband “op basis van irrelevante futiliteiten” in twijfel wordt getrokken.

 

(…)

 

Gelet op bovenstaande dient te worden vastgesteld dat de motieven in de bestreden beslissing veeleer zijn beperkt tot feitelijke vaststellingen, vaststellingen die geen betrekking hebben op verzoeksters individuele situatie of die niet kunnen worden geverifieerd en vaststellingen waaromtrent niet concreet wordt gemotiveerd waarom deze bijdragen aan de negatieve beslissing inzake de visumaanvraag. In de nota met opmerkingen grijpt verweerder telkens terug naar het advies van de procureur des Konings. De Raad benadrukt in deze dat het advies van de procureur des Konings slechts een advies betreft. Zoals in voormeld advies zelf wordt aangegeven, komt het aan verweerder toe om de uiteindelijk beslissing inzake de visumaanvraag te nemen. Verweerder kan zich hier, zoals hij in de nota met opmerkingen poogt te doen, niet zonder meer achter verschuilen. De Raad spreekt zich ook niet uit over voormeld advies, doch wel over de concrete motivering van verweerder, zoals opgenomen in de thans bestreden beslissing. Het staat verweerder in deze vrij de inhoud van het advies van de procureur des Konings over te nemen in zijn weigeringsbeslissing, doch dit doet geen afbreuk aan het gegeven dat het wel degelijk verweerder zelf is die de beslissing neemt. Verweerder dient de eindverantwoordelijkheid te nemen voor het individuele onderzoek naar het bestaan van de huwelijksband. Niets belet dat hij hiervoor het advies inwint van de procureur des Konings, doch verweerder kan dit advies niet aanwenden om de verantwoordelijkheid voor zijn eigen onderzoek te ontlopen. Hierbij staat het verzoekster dan ook vrij om te argumenteren dat deze overgenomen motivering niet volstaat, en dat er geen sprake is van een voldoende zorgvuldig en ernstig onderzoek van haar visumaanvraag door verweerder. Verzoekster kan in deze terecht de verwachting koesteren – in het bijzonder gelet op de veeleer feitelijke aard van het advies – dat verweerder zich niet louter beperkt tot het zich eigen maken van het advies, doch ruimer motiveert waarom de concrete omstandigheden van de zaak ertoe leiden dat hij van oordeel is dat de visumaanvraag dient te worden geweigerd. De Raad benadrukt dat verweerder ertoe gehouden is alle relevante elementen te betrekken in zijn beoordeling. Gelet op de onzekerheden die klaarblijkelijk nog bestaan – “het is niet bekend sinds wanneer zij een relatie hadden” of “er bestaat geen zekerheid dat degene die het visum aanvraagt ook de partner is met wie betrokkenen gehuwd zijn” of nog “één en ander blijft wel degelijk bijzonder opvallend binnen het kader van een voorgehouden oprechte huwelijksrelatie” – stelt verzoekster terecht dat verweerder minstens de moeite had moeten nemen om beide partijen te horen. De Raad merkt hierbij op dat van verzoekster wel een omstandig interview werd afgenomen op de Belgische ambassade in Kampala op 25 juli 2018, waarbij haar zeer gedetailleerde vragen werden gesteld aangaande haar relatie met de referentiepersoon. In de bestreden beslissing worden slechts fragmenten van voormeld interview gebruikt, waarbij verweerder niet ingaat op enkele gedetailleerde antwoorden van verzoekster en het kennelijk niet nodig achtte om de inhoud van het interview af te toetsen bij de referentiepersoon. Nergens in de bestreden beslissing, noch in de nota met opmerkingen verduidelijkt verweerder in deze waarom hij het – niettegenstaande de bestaande onzekerheden – niet nodig vond een gesprek aan te gaan met de referentiepersoon. De overtuiging van verweerder in zijn nota dat er een zorgvuldig en grondig onderzoek is gebeurd van de elementen die het dossier van de verzoekende partij daadwerkelijk kenmerken, alvorens te besluiten tot de weigering van een visum lang verblijf (type D), met het oog op gezinshereniging, kan de bestreden beslissing niet overeind houden.