Raad voor Vreemdelingenbetwistingen
196.662
BGV – bijlage 13septies – UDN – art. 8 EVRM – art. 24 EU-Handvest - moeder opgepakt los van haar gezin – belang van het kind – belangenafweging - slechts theoretische motivering – MTHEN - schorsing

In de bestreden beslissing wordt uitdrukkelijk gesteld, “Aangezien het hele gezin wordt teruggestuurd is er geen sprake van een schending van artikel 8 EVRM”. Deze vaststelling dat het ganse gezin wordt teruggestuurd mist echter feitelijke grondslag en is zoals verzoekster terecht opmerkt dan ook geen pertinente motivering. Uit niets blijkt dat naast verzoekster ook de andere leden van het gezin zullen worden teruggestuurd naar Albanië. Uit het administratief dossier blijkt dat verzoekster de enige is van het gezin die het voorwerp uitmaakt van een bijlage 13septies en de enige is van het gezin die thans opgesloten is met het oog op een gedwongen tenuitvoerlegging van de bestreden verwijderingsmaatregel. Aangezien de premisse “het hele gezin wordt teruggestuurd” niet opgaat, gaat ook de conclusie die de verwerende partij aan deze premisse verbindt, met name “er [is] geen sprake van een schending van artikel 8 EVRM” niet op.

 

Verwerende partij diende derhalve zoals verzoekster voorhoudt in haar verzoekschrift rekening te houden met de impact van een gedwongen scheiding van hun moeder op de kinderen alsook te onderzoeken en tevens uiteen te zetten waarom het belang van de staat dat bestaat uit het doen naleven van de immigratiewetgeving primeert op de belangen van de kinderen dat bestaat uit het onderhouden van regelmatige persoonlijke betrekkingen en rechtstreekse contacten met hun beide ouders alsook het recht om niet van één van de ouders gescheiden te worden.

 

Zoals verzoekster terecht opmerkt, kan dergelijke belangenafweging niet worden teruggevonden in de bestreden beslissing. In de bestreden beslissing kan weliswaar gelezen worden:

“Er moet ook worden benadrukt dat hoewel het belang van het kind een primordiaal karakter heeft, het daarom nog geen absoluut karakter heeft. Bij de afweging van de verschillende op het spel staande belangen, neemt het belang van het kind een bijzondere plaats in. Die bijzondere plaats maakt het evenwel niet onmogelijk om eveneens rekening te houden met andere belangen (GwH 7 maart 2013, nr. 30/2013; RVV, nr. 152.980 van 21 september 2015; EHRM 12 juli 2012, nr. 54131/10, § 90). Het is voorts voor ieder normaal redelijk denkend mens evident dat het, in een normale gezinssituatie, in het hoger belang is van de kinderen om niet te worden gescheiden van hun ouders. Dit impliceert dat wanneer ouders in België niet tot een verblijf zijn toegelaten of gemachtigd en zij het Rijk dienen te verlaten, zij zich hierbij dienen te laten vergezellen door hun jonge kinderen teneinde de belangen van deze kinderen en de gezinseenheid niet te schaden. Verweerder heeft met deze evidentie rekening gehouden, aangezien hij ten aanzien van alle gezinsleden besliste dat zij het grondgebied dienden te verlaten. (RVV, nr. 155.783 van 29 oktober 2015)” Uit deze passage blijkt dat de verwerende partij zich theoretisch bewust is van het hoger belang van de kinderen en van het gegeven dat dit niet verhindert dat rekening gehouden wordt met andere belangen. Dit vormt geen concrete belangenafweging maar zoals verzoekster terecht voorhoudt in haar verzoekschrift, “een holle verwijzing naar de rechten van het kind”. Voorts is de verwerende partij zich aan de hand van het citeren van een arrest van de Raad bewust van het gegeven dat het belang van het kind normaliter inhoudt dat kinderen niet gescheiden worden van hun ouders. Echter gaat de verwerende partij er aan de hand van hetzelfde arrest vanuit dat als ten aanzien van alle gezinsleden een bevel om het grondgebied te verlaten wordt uitgereikt, de gezinseenheid niet geschaad wordt. Deze redenering gaat echter niet op. In het geciteerde arrest van de Raad gaat het immers niet om een gedwongen tenuitvoerlegging van een verwijderingsmaatregel van slechts één gezinslid, quod in casu. Deze passage staat trouwens haaks op de reeds eerder geciteerde passage in de bestreden beslissing, met name “Aangezien het hele gezin wordt teruggestuurd is er geen sprake van een schending van artikel 8 EVRM”.

 

In de bestreden beslissing kan ook gelezen worden, “(...) Betrokkene weigert nu alsook bij vorige intercepties haar adres door te geven aan de autoriteiten, bovendien verstrekte zij telkens een foutief adres. Betrokkene weigert eveneens contact op te nemen met haar echtgenoot en kinderen in kader van organisatie van een gezamenlijke, humane terugkeer”. Ook dit vormt niet de vereiste belangenafweging zoals omschreven in punt 2.3.2.6. Daargelaten de vraag of deze vaststellingen steun vinden in het administratief dossier, of verwerende partij dit adres niet zelf kan achterhalen en of van verzoekster verwacht kan worden dat zij vanuit het gesloten centrum de terugkeer van de andere leden van haar gezin organiseert, stelt dit alles de verwerende partij niet vrij om een belangenafweging te maken zoals omschreven in punt 2.3.2.6.

 

Het middel is dus in de aangegeven mate gegrond en derhalve ernstig. Aan deze vaststelling kan het citeren van passages uit de bestreden beslissing, het opsommen van theoretische concepten inzake de toepassing van artikel 8 EVRM en de overtuiging van de verwerende partij in de nota met opmerkingen dat “de gemachtigde zeer nauwkeurig en op zeer omstandige wijze een belangenafweging heeft doorgevoerd in het licht van artikel 8 EVRM”, en dat de verzoekende partij niet aantoont dat de verwerende partij een kennelijk onredelijke afweging heeft gemaakt wat de belangen van het gezin en van de kinderen betreft, “integendeel”, geen afbreuk doen.

 

De Raad wenst er nog aan toe te voegen dat hij zich goed bewust is van het feit dat het ganse gezin reeds sedert lange tijd op illegale wijze in het Rijk verblijft en dat geen gevolg werd gegeven aan diverse bevelen om het grondgebied te verlaten, doch dit alles houdt niet in dat groen licht dient gegeven te worden aan een repatriëring van één gezinslid, terwijl de andere gezinsleden, waaronder drie minderjarige kinderen, nog in België verblijven. Dit alles klemt des te meer aangezien bij de repatriëring van verzoekster, het inreisverbod ingaat voor drie jaar. De Raad betwist niet dat de verwerende partij kan overgaan tot een gedwongen tenuitvoerlegging van verwijderingsmaatregelen, doch hierbij dient de eenheid van het gezin in acht te worden genomen. Uit het administratief dossier blijkt dat de verwerende partij zelf bewust is van deze wat gewrongen situatie, vermits in een e-mailbericht van 11 december 2017 van B.T. aan B.C. aangaande de situatie van verzoekster en haar gezinsleden kan gelezen worden, “het is wel een beetje een vreemd geval natuurlijk”.