Raad voor Vreemdelingenbetwistingen
205.101
Beëindiging verblijf – staatloze – veroordeling – openbare orde – belangenafweging – staatloosheid niet enkel element van identiteit – staatloosheid kan ook wijzen op een moeilijkheid of onmogelijkheid om bestaande privéleven in land van herkomst of elders voort te zetten – afweging van het belang van het individu - art. 8 EVRM – vernietiging

De Raad stelt vast dat de verwerende partij enkel gesteld heeft dat de status van staatloze enkel een element van identiteit betreft en op geen enkele wijze aantoont dat zij ten onrechte veroordeeld werd voor een ernstig misdrijf. Deze enige overwegingen in het kader van een belangenafweging over het aangevoerde element van het erkend zijn als staatloze, getuigen geenszins van het zorgvuldig betrekken van voormeld element in de afweging tussen enerzijds, het belang van de verzoekende partij bij de uitoefening van haar privéleven in het Rijk en anderzijds, het algemeen belang van de Belgische samenleving bij het voeren van een migratiebeleid en het handhaven van de openbare orde. De verzoekende partij kan gevolgd worden waar zij stelt dat het enkel vermelden dat de erkende staatloosheid een aanwijzing van identiteit is, geen onderzoek naar waarde van dit element betreft. Immers betreft het feit erkend staatloze te zijn niet enkel de identiteit doch kan het ook wijzen op een moeilijkheid of een onmogelijkheid om het bestaande privéleven in het land van herkomst of elders voort te zetten. Dit is een factor die meespeelt in het kader van de afweging van het belang van het individu, doch die door de verwerende partij geenszins op zorgvuldige wijze werd beoordeeld. Door enkel te stellen dat het een loutere aanwijzing van de identiteit van de verzoekende partij betreft die niet aantoont dat de verzoekende partij ten onrechte veroordeeld werd voor een ernstig misdrijf, heeft de verwerende partij nagelaten in het licht van een afweging van het belang van het individu, na te gaan of het feit dat de verzoekende partij erkend werd als staatloze een omstandigheid vormt die het moeilijk of onmogelijk maakt om het bestaande privéleven in het land van herkomst of elders verder te zetten. De loutere stelling dat het feit erkend staatloze te zijn niet aantoont dat de verzoekende partij ten onrechte werd veroordeeld voor een ernstig misdrijf, bevat geen afweging van het belang van het individu.