Raad voor Vreemdelingenbetwistingen
199.329
BGV – detentie - terugleiding naar de grens – UDN – art. 33 Vluchtelingenverdrag – Eritrea – geen zekerheid over Dublin-overname – terugleiding naar de grens is geen loutere uitvoeringsmaatregel – aanvechtbare rechtshandeling – art. 3 EVRM – geen ernstig middel - verwerping

Uit hetgeen voorafgaat blijkt dat de verzoeker bij de Raad een beroep tot nietigverklaring en/of schorsing (bij uiterst dringende noodzakelijkheid) kan indienen tegen een gebeurlijke nieuwe beslissing waarbij hij wordt teruggeleid naar de grens van zijn land van herkomst, Eritrea, dan wel naar de grens van enige andere staat. Artikel 39/83 van de Vreemdelingenwet voorziet in een van rechtswege opschortende werking van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid die wordt ingediend tegen een verwijderingsmaatregel.

 

De verzoeker, die stelt dat artikel 3 van het EVRM en artikel 33 van het Vluchtelingenverdrag zich tegen een verwijdering naar Eritrea verzetten, kan alsdan deze grieven doen gelden. De Raad stelt voorts vast dat de verzoeker deze grieven uitsluitend betrekt op een gebeurlijke verwijdering naar zijn land van herkomst. Hij maakt op geen enkele wijze gewag van enige schending van de voormelde bepalingen bij een verwijdering naar Duitsland.

 

Een onderzoek naar de aangevoerde schending van artikel 3 van het EVRM en artikel 33 van het Vluchtelingenverdrag is in deze stand van het geding dan ook niet aan de orde. De thans bestreden akte verschaft immers geen uitvoerbare titel om de verzoeker naar zijn land van herkomst te verwijderen. In tegendeel wordt een verwijdering naar verzoekers land van herkomst op grond van de thans bestreden akte uitdrukkelijk uitgesloten.

 

De aangevoerde schending van artikel 3 van het EVRM en artikel 33 van het Vluchtelingenverdrag is dan ook niet gericht tegen de thans bestreden akte, zodat zij onontvankelijk is.

 

Aangezien de verweerder uitdrukkelijk motiveert dat de verzoeker, “behoudens nieuwe beslissing” in geen geval zal worden teruggeleid naar zijn land van herkomst en de verzoeker in voorkomend geval tegen een dergelijke nieuwe beslissing een rechtsmiddel kan aanwenden bij de Raad dat bovendien een opschortende werking heeft indien hij opteert voor een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, diende de verweerder in de huidige beslissing geen onderzoek te voeren noch te motiveren omtrent het risico dat de verzoeker in zijn land van herkomst loopt om te worden onderworpen aan beslissingen die strijden met de door artikel 3 van het EVRM geboden bescherming. Het ter terechtzitting neergelegde arrest van het Hof van Cassatie van 31 januari 2018 doet hieraan geen afbreuk.