Raad voor Vreemdelingenbetwistingen
206.607
Gezinshereniging – einde verblijf – huwelijksakte niet rechtsgeldig - schijnhuwelijk – artikel 27 van het WIPR – de plano erkenning - weigering erkenning buitenlandse huwelijksakte door ambtenaar burgerlijke stand – geen gezag van gewijsde - beroep familierechtbank – huwelijk wel erkend voor visum gezinshereniging - kennelijk onredelijk – ingestelde beroep niet afgewacht – redelijkheidsbeginsel – vernietiging

Bij een aanvraag gezinshereniging op basis van een buitenlands huwelijk beoordeelt de verwerende partij de geldigheid van de voorgelegde buitenlandse huwelijksakte. De voorgelegde controle wordt gevoerd rekening houdend met artikel 146bis van het BW, met name of de intentie bestaat om een duurzame levensgemeenschap tot stand te brengen. Aldus blijkt door de toekenning van het visum gezinshereniging dat de verwerende partij de voorgelegde huwelijksakte heeft erkend en geenszins van oordeel was dat er sprake zou zijn van een schijnhuwelijk. Dit wordt overigens niet betwist door de verwerende partij.

 

Een ander gevolg van de plano erkenning van buitenlandse aktes is dat de ene administratieve overheid niet gebonden is door een eventueel eerder genomen beslissing door een andere administratie. Zo zal de gemeente aan wie de buitenlandse akte wordt voorgelegd met het oog op registratie, nog altijd moeten nagaan of de akte voldoet aan de voorwaarden voor erkenning. Ook wanneer er in het betrokken dossier al een visum gezinshereniging afgeleverd werd op basis van het buitenlands huwelijk. Een buitenlandse akte van burgerlijke stand kan slechts als basis dienen voor een inschrijving in het rijksregister of overgeschreven worden in de registers van burgerlijke stand na onderzoek van de voorwaarden van erkenning die artikel 27§1 Wetboek IPR beschrijft (artikel 31 Wetboek IPR). In casu blijkt dat de ambtenaar van de burgerlijke stand het huwelijk weigert over te schrijven om reden dat er sprake zou zijn van een schijnhuwelijk. Tegen deze beslissing is echter een beroep hangende bij de Rechtbank van Eerste aanleg.

 

Nu de ambtenaar van de burgerlijke stand het huwelijk weigert te erkennen, besluit de verwerende partij tot de intrekking van het verblijf op grond van het gebruik van misleidende informatie. Het komt de Raad echter kennelijk onredelijk voor van de verwerende partij om nu plots te gaan stellen dat ze gebruik heeft gemaakt van misleidende informatie terwijl de enige informatie die voorligt de huwelijksakte is die ze zelf heeft erkend. De verwerende partij heeft het huwelijk zelf beoordeeld en toont op geen enkel punt aan dat er nu informatie voorligt die ze op dat moment niet heeft kunnen beoordelen. De beoordeling gemaakt door de ambtenaar van de burgerlijke stand heeft geen gezag van gewijsde ten aanzien van de verwerende partij. Enkel de beslissing die genomen zal worden door de rechtbank van eerste aanleg heeft gezag van gewijsde en zal dan ook door de verwerende partij moeten gevolgd worden. De Raad herinnert er aan dat hij niet de rechtsmacht heeft om, weze het incidenteel, te onderzoeken of de weigering vanwege de ambtenaar van de burgerlijke stand tot het erkennen van de geldigheid van de huwelijksakte wettig is. Het komt de Raad kennelijk onredelijk voor van de verwerende partij om aldus niet het oordeel van de rechtbank van eerste aanleg af te wachten.

 

Met haar betoog maakt de verzoekende partij de schending van het redelijkheidsbeginsel aannemelijk