Raad voor Vreemdelingenbetwistingen
202.084
BGV – detentie – UDN - art. 74/14, § 3 Vw. – risico op onderduiken – objectieve criteria – geen gekend of vast verblijfsadres – geen poging om verblijf te regulariseren – niet kennelijk onredelijk – verwerping

In casu blijkt op het eerste gezicht dat de verwerende partij het risico op onderduiken ten aanzien van de verzoekende partij bepaalt op grond van volgende feitelijke vaststellingen:

 

“Betrokkene verblijft op het Schengengrondgebied zonder een geldig visum. Betrokkene verklaart dat hij reeds vier maanden in België is. Betrokkene heeft zich echter niet aangemeld bij de Belgische autoriteiten om zijn aanwezigheid te melden. Betrokkene heeft geen gekend of vast verblijfsadres. Betrokkene heeft tot op heden ook geen poging ondernomen zijn verblijf te regulariseren.”

 

Verzoekende partij erkent op het eerste gezicht in het verzoekschrift zelf ook dat dit de feitelijke elementen zijn op grond waarvan het risico op onderduiken werd beoordeeld. Verzoekende partij betwist wel dat nergens wordt uiteengezet op basis van welke objectieve criteria deze feitelijke elementen kunnen gebruikt worden, maar eenvoudige lezing van artikel 1, § 2, van de Vreemdelingenwet leert dat objectieve criteria, die gehanteerd kunnen worden, ondermeer zijn: “1.° de betrokkene heeft na zijn illegale binnenkomst of tijdens zijn illegaal verblijf geen verblijfsaanvraag ingediend”, hetgeen correspondeert met de bevinding van de verwerende partij dat verzoekende partij tot op heden geen poging ondernomen heeft om haar verblijf te regulariseren. De Raad wijst er daarnaast op dat het aan de gemachtigde van de bevoegde staatsecretaris toekomt om op grond van de objectieve criteria of het objectieve criterium die zijn/is vastgesteld aan de hand van de feitelijke omstandigheden die de zaak van de verzoekende partij kenmerken, te beoordelen of het criterium of de criteria van toepassing is/zijn. Zo wordt er in de voorbereidende werken uitdrukkelijk op gewezen dat: “Er wordt gepreciseerd dat er in het kader van deze beoordeling rekening zal moeten worden gehouden met alle specifieke omstandigheden van het geval, om zo te vermijden dat er automatisch kan worden geconcludeerd dat een (significant) risico op onderduiken bestaat omdat een of meerdere feiten die op de lijst vermeld worden, aanwezig zijn. (..)Zo is het mogelijk dat het (significant) risico op onderduiken in een bepaald geval op basis van een of meerdere feiten kan worden vastgesteld, terwijl dezelfde feiten het in een ander geval niet mogelijk maken om te concluderen dat dit (significant) risico bestaat, en dit omdat de omstandigheden van deze twee individuele gevallen anders zijn. Deze omstandigheden kunnen met name verbonden zijn met het gezinsleven van de betrokkene, zijn gezondheidstoestand, zijn leeftijd, zijn persoonlijkheid of zijn gedrag. Om te bepalen of er al dan niet een (significant) risico op onderduiken bestaat zal de bevoegde overheid elke individuele situatie in haar totaliteit moeten onderzoeken.(..)” (Parl.St. Kamer, 2016/2017, doc nr. 54-2548/001, p. 18).

 

Verzoekende partij maakt met haar betoog op het eerste gezicht dan ook niet aannemelijk dat de verwerende partij niet had mogen wijzen op het feit dat verzoekende partij illegaal in België verblijft, dat zij tijdens haar verblijf in België het ook nagelaten heeft om zich te melden bij de Belgische autoriteiten om haar aanwezigheid te melden, dat zij geen gekende of vaste verblijfplaats heeft alsook dat zij nagelaten heeft een poging te ondernemen haar verblijf te regulariseren om op grond van deze persoonlijke omstandigheden te oordelen dat er wel degelijk een risico op onderduiken bestaat. Uit deze motieven blijkt op het eerste gezicht dat de verwerende partij van oordeel is dat verzoekende partij door haar gedrag, met name het illegaal verblijven op het grondgebied zonder zich aan te melden bij de overheid, ook geen gekende of vaste verblijfplaats te hebben in België en geen poging ondernomen te hebben haar verblijf te regulariseren, een risico op onderduiken vertoont. Dit is ook de reden waarom de verwerende partij overgaat tot het geven van een bevel zonder termijn voor vrijwillig vertrek en waarom zij niet opteert voor het geven van een bevel met een termijn voor vrijwillig vertrek zodat het betoog, dat geen rekening werd gehouden met het feit dat verzoekende partij nooit eerder een bevel om het grondgebied te verlaten gekregen heeft, op het eerste gezicht geen afbreuk kan doen aan de redelijkheid van de motieven ter zake. Verzoekende partij betwist ook geenszins dat zij reeds vier maanden in België is zonder in bezit te zijn van de daartoe vereiste documenten en dat zij haar aanwezigheid niet gemeld heeft aan het bestuur, noch dat zij geen vaste of gekende verblijfplaats heeft in het Rijk. Zij heeft geen enkele poging ondernomen haar verblijf te regulariseren. Het is prima facie geenszins kennelijk onredelijk om daaruit te besluiten dat er een risico op onderduiken bestaat. Er blijkt op het eerste gezicht niet dat de verwerende partij bepaalde omstandigheden eigen aan de zaak van verzoekende partij veronachtzaamd heeft waaruit zou kunnen blijken dat de beoordeling inzake het risico op onderduiken kennelijk onredelijk is.