6 september 2018

De wettelijke maximale behandelingstermijn voor de visum- of verblijfsprocedure gezinshereniging geldt ook wanneer Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) na het verstrijken van de termijn zou vaststellen dat de huwelijksband niet (afdoende) bewezen is. De Verblijfswet voorziet geen enkele uitzondering op de verplichting om tijdig een beslissing te nemen, ook niet naargelang het soort van weigeringsgrond. Dat bevestigt de Raad van State (RvS) in een cassatie-arrest van 13 maart 2018 (nr. 240.997). Toch houdt DVZ zich bij een visumaanvraag gezinshereniging nog steeds niet altijd aan de wettelijke behandelingstermijnen, bijvoorbeeld bij een lopend onderzoek schijnhuwelijk.

Feiten

Een Afghaanse vrouw vroeg een visum gezinshereniging om haar Afghaanse man, erkend vluchteling in België, te vervoegen. DVZ nam op de laatste dag van de wettelijke behandelingstermijn een beslissing tot uitstel van het nemen van een beslissing over de visumaanvraag. Binnen de bijkomende termijn van drie maanden weigerde DVZ vervolgens het visum. Volgens DVZ had het koppel niet bewezen gehuwd te zijn. Als bewijs van de huwelijksband werd alleen een Afghaanse affidavit voorgelegd waarin op eer verklaard werd dat betrokkenen gehuwd waren voor de komst van de echtgenoot/referentiepersoon naar België. DVZ weigerde de affidavit te erkennen als een geldige buitenlandse huwelijksakte omdat deze niet voldeed aan de voorwaarden van het Aghaanse recht. Bovendien had de echtgenoot tijdens zijn asielprocedure in België meermaals verklaard ongehuwd te zijn. 

Arrest Raad voor Vreemdelingenbetwistingen

In het beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (RvV arrest nr. 171.960 van 15 juli 2016) had verzoekster aangehaald dat de visumweigering van DVZ te laat was: ze was nooit in kennis gesteld van de beslissing tot uitstel, waardoor de weigering pas genomen was na het verstrijken van de maximale behandelingstermijn (toen nog zes maanden, intussen is dit negen maanden geworden). Volgens artikel 12bis §2, laatste lid Verblijfswet moet de toelating tot verblijf verstrekt worden indien er geen beslissing genomen wordt binnen de wettelijke behandelingstermijn. Deze behandelingstermijn kan wel tweemaal verlengd worden op voorwaarde dat dit gemotiveerd wordt en ter kennis gebracht wordt van de aanvrager.

Maar volgens RvV volgt uit dit artikel niet dat verzoekster automatisch recht heeft op een verblijf in België bij een laattijdige beslissing van DVZ. Een verblijfskaart kan volgens de RvV enkel afgegeven worden indien er een onderliggend verblijfsrecht is. Artikel 10 §1 Verblijfswet is immers een omzetting van artikel 4, lid 1 Gezinsherenigingsrichtlijn (richtlijn 2003/86/EG) en verleent enkel een subjectief recht in de door de richtlijn vastgestelde gevallen. Dat betekent dat de huwelijksband eerst bewezen moet worden en dat aan de gestelde verblijfsvoorwaarden voor gezinsherenging voldaan moet zijn, aldus de RvV.

Cassatie-arrest RvS

De Raad van State (RvS) volgt die redenering van de RvV niet. Ten eerste stelt de RvS vast dat uit het administratief dossier niet blijkt dat de beslissing tot uitstel ter kennis gebracht werd van verzoekster. Bijgevolg kwam de weigering laattijdig, d.w.z. na het verstrijken van de wettelijke behandelingstermijn. Verwijzend naar de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof herhaalt de RvS dat de wettelijke behandelingstermijn een dubbele waarborg inhoudt voor de vreemdeling: 

  • enerzijds wordt de overheid verplicht om binnen een bepaalde termijn te beslissen over de aanvraag gezinshereniging zodat de aanvrager niet te lang in het ongewisse blijft
  • anderzijds moet de toelating tot verblijf verleend worden wanneer geen beslissing genomen wordt binnen de opgelegde termijn, waardoor de vreemdeling beschermd wordt indien de overheid de termijn niet respecteert of geen enkele beslissing neemt. 

De Verblijfswet (Vw) voorziet geen uitzondering op de verplichting om binnen een bepaalde termijn (vroeger 6 maanden, nu 9 maanden) een beslissing te nemen en dit ongeacht de weigeringsgrond. Art. 12bis §2, vijfde lid Vw voorziet wel in de mogelijkheid van een verlenging van de behandelingstermijn “in bijzondere omstandigheden die verband houden met het complexe karakter van de behandeling van de aanvraag”. Hierbij vermeldt de Verblijfswet uitdrukkelijk het onderzoek naar het huwelijk als een mogelijke reden voor een verlenging. Hieruit blijkt volgens de RvS net dat ook bij twijfel aan het huwelijk de maximale behandelingstermijnen van toepassing blijven.

Ale vormen van gezinshereniging met derdelander

De RvS sprak zich in dit arrest alleen uit over een aanvraag gezinshereniging met een derdelander op grond van artikel 10 Vw, maar de redenering van de RvS geldt evenzeer voor aanvragen op grond van artikel 10bis Vw. De procedure voor beide aanvragen verloopt immers identiek. 

Gezinshereniging met Unieburger en met Belg?

De procedure voor een aanvraag gezinshereniging met een Unieburger of Belg is daarentegen geen kopie van artikel 12bis Vw. Maar ook over deze procedure stelde de Europese Commissie al in zijn Mededeling van 2 juli 2009 (COM (2009)313):

Lopende onderzoeken van verdachte gevallen van schijnhuwelijken kunnen geen rechtvaardiging vormen voor een afwijking van de rechten die familieleden uit derde landen ontlenen aan de richtlijn, zoals een verbod om te werken, inbeslagneming van paspoort, of een verlenging van de termijn van zes maanden voor de afgifte van een verblijfskaart. Deze rechten kunnen te allen tijde worden ingetrokken als gevolg van verdere onderzoeken."

Ook de Commissie is dus van mening dat de lidstaten zonder uitzondering gebonden zijn aan de maximale behandelingstermijn (van zes maanden), zelfs bij twijfel over het huwelijk. De Commissie doet echter geen uitspraak over de consequenties van het niet-respecteren van de behandelingstermijn.