17 november 2017

Om Belg te worden, moet je over een wettelijk verblijf beschikken. De rechtbanken van eerste aanleg van Leuven, Waals-Brabant en Brussel oordeelden in vonnissen respectievelijk van 8 mei 2017, 14 juli 2017 en 12 december 2017 dat een bijzondere identiteitskaart, afgeleverd door de FOD Buitenlandse Zaken, dit wettelijk verblijf kan bewijzen. Ook al staat dit document niet in de lijst van het koninklijk besluit van 14 januari 2013 (KB). Deze rechtspraak is onder meer van belang voor personen uit Groot-Brittannië, in het licht van de Brexit.

Voorwaarde van wettelijk verblijf voorafgaand aan de nationaliteitsaanvraag

Om de Belgische nationaliteit aan te vragen, is volgens artikel 7bis van het Wetboek van de Belgische nationaliteit (WBN) een wettelijk verblijf nodig:

  • Op het moment van de aanvraag moet de aanvrager een verblijfsrecht van onbeperkte duur hebben. Het KB van 14 januari 2013 bepaalt welke documenten aanvaard worden als bewijs van het wettelijk verblijf op het ogenblik van de aanvraag: de elektronische B, C, D, E, E+, F en F+ kaart
  • Gedurende de periode onmiddellijk voorafgaand aan de aanvraag moet je toegelaten of gemachtigd zijn om meer dan 3 maanden in België te verblijven of om je te vestigen in België. Het gaat om de vereiste periode van wettelijk verblijf voorafgaand aan de aanvraag: 5 of 10 jaar in het geval van een nationaliteitsverklaring of 2 jaar in het geval van een naturalisatieaanvraag door een staatloze.

Het KB van 14 januari 2013 somt op welke bewijzen aanvaard worden als bewijs van een toelating of machtiging voor meer dan 3 maanden: de elektronische A, B, C, D, E, E+, F, F+ en H kaart en de bijlage 15 in bepaalde gevallen.

Bijzondere identiteitskaarten

De Dienst Protocol van de FOD Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking levert bijzondere identiteitskaarten af op basis van het KB van 30 oktober 1991. Deze bijzondere identiteitskaarten vallen niet onder de toepassing van de Verblijfswet van 15 december 1980 en staan ook niet in de lijst van het KB van 14 januari 2013.

De vraag rijst of een dergelijke identiteitskaart wettelijk verblijf kan bewijzen om de Belgische nationaliteit aan te vragen, ook al staat het document niet op de lijst van het KB van 14 januari 2013.

 RechtspraakFeiten

Rechtbank van eerste aanleg te Leuven

Een Britse medewerker bij het Europees Parlement diende op 29 augustus 2016 een aanvraag tot het bekomen van de Belgische nationaliteit in op grond van artikel 12bis §1, 2° van het WBN waarbij ze voorafgaand aan de aanvraag 5 jaar wettelijk verblijf in België moet bewijzen. Op het moment van haar aanvraag heeft ze een E+ kaart. In de periode voorafgaand aan de aanvraag beschikte ze gedurende de periode van 19 november 2009 tot 28 juli 2016 enkel over een bijzondere identiteitskaart afgeleverd door de Dienst Protocol van de FOD Buitenlandse Zaken.

Rechtbank van eerste aanleg van Waals-Brabant

Een Britse onderdaan vraagt Belgische nationaliteit aan op basis van artikel 12bis §1, 5° van het WBN. Verzoekster moest dus 10 jaar wettelijk verblijf voorafgaand aan de aanvraag bewijzen. Zij kwam in 1998 naar België om professionele redenen en was eerst in het bezit van een gewone verblijfskaart. Op het moment van de aanvraag tot het bekomen van de Belgische nationaliteit heeft ze een E+ kaart. Gedurende de periode van 2000 tot 2011 was ze titularis van een bijzondere identiteitskaart afgeleverd door de FOD Buitenlandse Zaken in uitvoering van het Koninklijk Besluit van 30 oktober 1991.

Analyse rechtspraak eerste aanleg Leuven en Waals-Brabant: schending hiërarchie van rechtsnormen

De rechtbanken stellen vast dat de “protocolkaart” niet opgenomen is in de lijst van verblijfsdocumenten van het KB van 14 januari 2013. Ze merken echter op dat uit de bewoordingen van het KB niet kan worden vastgesteld dat het zou gaan om een limitatieve lijst. Als dat het geval zou zijn, dan zou dat strijdig zijn met artikel 7bis §2 van het WBN. De rechtbank van Waals-Brabant wijst erop dat de hiërarchie van rechtsnormen niet toelaat dat de Koning de draagwijdte van een wet beperkt. Het artikel 7bis §2 van het WBN vereist immers geen verblijfstitel maar wel:

  • een toelating of machtiging om meer dan drie maanden in het Rijk te verblijven of om zich er te vestigen
  • overeenkomstig de Verblijfswet of de Regularisatiewet.

Beide rechtbanken besluiten dat de "protocolkaart" wel degelijk als bewijsmiddel kan dienen om de (door het WBN) vereiste periode van wettelijk verblijf voorafgaand aan de aanvraag te staven. Zoniet, stelt de rechtbank van Leuven, zou dit een discriminatie inhouden omdat verzoekster als Europees personeelslid niet over het (door het KB) vereiste verblijfsdocument kon beschikken gezien haar hoedanigheid.

Rechtbank van eerste aanleg te Brussel : schending van gelijkheidsbeginsel

Verzoeker dient een aanvraag tot het verkrijgen van de Belgische nationaliteit in op basis van artikel 12bis, §1, 2° van het WBN. Hij is Europees ambtenaar en woont in België sinds april 1989. Hij was sinds 1995 houder van een bijzondere identiteitskaart afgeleverd door de FOD Buitenlandse Zaken. Sinds 29 april 2014 is hij ingeschreven in het bevolkingsregister als houder van een E+ kaart.

Volgens de rechtbank van eerste aanleg te  Brussel is er geen sprake is van een strijdigheid tussen de wet en het KB endus geen schending van de hiërarchie van rechtsnormen. Het artikel 7bis, §2, alinea 2 van het WBN geeft immers aan de Koning de opdracht om een lijst van documenten op te stellen die zullen in aanmerking worden genomen als bewijs van verblijf.

De rechtbank besluit echter dat de artikelen 3 en 4 van het KB strijdig zijn met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel (artikelen 10, 11 en 191 Grondwet). Zij creëren immers een verschil in behandeling tussen vreemdelingen die beschikken over een verblijfstitel die voorkomt in de genoemde artikelen en vreemdelingen die over een ander soort verblijfstitel beschikken.  Het KB geeft geen rechtvaardiging voor dit verschil in behandeling. Doordat ze zonder rechtvaardiging elk ander bewijs van legaal verblijf uitsluiten, zijn de artikelen 3 en 4 van het KB strijdig met de artikelen 10, 11 en 191 van de Grondwet. Door toepassing van artikel 159 van de Grondwet worden ze dan ook buiten beschouwing gelaten.

 

Vroegere rechtspraak over bewijs van wettelijk verblijf

De vraag of de lijst met verblijfsdocumenten die wettelijk verblijf staven volgens het KB van januari 2013 exhaustief is, werd al behandeld in de rechtspraak en gaf aanleiding tot verdeeldheid onder de hoven en rechtbanken.

De vraag die zich in de eerdere zaken stelde was of een attest van immatriculatie (AI), afgegeven in het kader van een procedure gezinshereniging, kon meetellen voor de berekening van de termijn van wettelijk verblijf vereist voor een nationaliteitsverklaring. Net zoals de protocolkaart, komt het AI niet voor op de lijst van aanvaarde verblijfsdocumenten van het KB van 14 januari 2013,

Het Hof van Beroep van Antwerpen beschouwde in een arrest van 13 juni 2016 dat een AI niet als bewijs kon dienen van wettelijk verblijf, onder andere omdat het KB van 14 januari 2013 een duidelijke wettekst is die niet geïnterpreteerd moet worden. Verschillende rechtbanken van eerste aanleg en hogere rechtspraak stellen nochtans dat het AI wel als bewijs van wettelijk verblijf kan gelden.

De rechtbanken van Leuven en Waals-Brabant van hun kant stellen ook dat een limitatieve interpretatie van het KB strijdig zou zijn met artikel 7bis §2 WBN.

Bedenking: is ook de vereiste van "hoofdverblijfplaats" vervuld voor personen met bijzondere identiteitskaart?

Het Wetboek Belgische Nationaliteit vereist niet alleen een wettelijk verblijf, maar ook een hoofdverblijfplaats in België.

Artikel 7bis §1 WBN stelt: "Voor de toepassing van de bepalingen inzake verkrijging of herkrijging van de Belgische nationaliteit, moet de vreemdeling zijn hoofdverblijfplaats in België hebben gevestigd op grond van een wettelijk verblijf, en dit zowel op het ogenblik van het indienen van zijn verzoek of verklaring als gedurende de onmiddellijk hieraan voorafgaande periode. Zowel het wettelijk verblijf als het hoofdverblijf dienen ononderbroken te zijn." 

Artikel 1, §2 WBN definieert hoofdverblijfplaats voor toepassing  van deze wet als "de plaats van inschrijving in het bevolkings-, vreemdelingen- of wachtregister".

In de hier besproken vonnissen waren deze personen gedurende hun verblijf met bijzondere identiteitskaart niet ingeschreven in het rijksregister. Maar beide rechtbanken spraken zich hierover niet uit in hun vonnis, en kenden de Belgische nationaliteit toe.

Sinds 10 december 2015 worden de meeste personen met een bijzondere identiteitskaart wel 'vermeld' in het rijksregister. De vraag rijst evenwel of zo een vermelding een echte 'inschrijving' is in de zin van de vereiste van het WBN.