21 maart 2019

Op 29 januari 2019 trad de Europese verordening (EU) 2016/1103 van 24 juni 2016 over huwelijksvermogensrecht in werking. Deze verordening regelt de bevoegdheid, het toepasselijke recht en de erkenning van beslissingen op het gebied van huwelijksvermogensstelsels.

Deze verordening is van toepassing in 18 lidstaten van de EU: België, Bulgarije, Cyprus, Tsjechië, Duitsland, Griekenland, Spanje, Frankrijk, Kroatië, Italië, Luxemburg, Malta, Nederland, Oostenrijk, Portugal, Slovenië, Finland en Zweden.

Hierna volgt een bespreking van de belangrijkste punten.

De bevoegdheidsregeling

Welke rechtbank is vanaf 29 januari 2019 bevoegd voor de zaken over het huwelijksvermogensrecht?

  • bij overlijden van één van de echtgenoten: de rechtbank die ook bevoegd is voor de erfopvolging (art. 4)
  • bij een verzoek tot echtscheiding, scheiding van tafel en bed of nietigverklaring van het huwelijk: de rechtbank die bevoegd is om zich uit te spreken over het huwelijksgeschil
  • in alle andere gevallen: 
    • de echtgenoten kunnen overeenkomen dat de bevoegdheid ligt bij de lidstaat waarvan het recht van toepassing is of bij de lidstaat waar het huwelijk werd gesloten. Een dergelijke overeenkomst (forumkeuze) moet schriftelijk worden vastgelegd en moet worden gedateerd en ondertekend door de partijen.
    • als er geen overeenkomst is, zijn de rechtbanken van de lidstaat bevoegd:
          • van de gemeenschappelijke gewone verblijfplaats van de echtgenoten op het tijdstip waarop de zaak aanhangig wordt gemaakt bij de rechtbank; of bij gebreke hieraan
          • van de laatste gewone verblijfplaats van de echtgenoten, indien een van hen daar nog steeds verblijft; of bij gebreke hieraan
          • van de gewone verblijfplaats van de verweerder; of bij gebreke hieraan
          • van de gemeenschappelijke nationaliteit van de echtgenoten.

Uitgezonderd in geval van geschillen zijn notarissen in België niet gebonden door deze regels over de rechtsbevoegdheid en kunnen zij bijgevolg vrij handelen, bijvoorbeeld  bij het opstellen van een huwelijkscontract of een rechtskeuzeovereenkomst.

Toepasselijk recht

Welk recht is van toepassing op:

  • de huwelijken aangegaan vanaf 29 januari 2019?
  • op de huwelijken aangegaan voor 29 januari 2019 als de echtgenoten na 29 januari 2019 een recht hebben gekozen dat van toepassing is op hun huwelijksvermogensstelsel?

De echtgenoten kunnen een rechtskeuze maken over het recht dat zij van toepassing willen zien op hun huwelijksvermogensstelsel (artikel 22). Zij kunnen hierbij kiezen uit:

  • het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van een of beide echtgenoten of toekomstige echtgenoten op het moment van de rechtskeuze, of
  • het recht van een staat waarvan een van de echtgenoten of toekomstige echtgenoten de nationaliteit heeft op het moment van de rechtskeuze.

Als de echtgenoten geen rechtskeuze over het huwelijksvermogensrecht maakten, bepaalt artikel 26 het toepasselijk recht als volgt in een cascadesysteem:

  • Eerst zal men kijken naar de eerste gemeenschappelijke gewone verblijfplaats van de echtgenoten na de huwelijkssluiting.
  • Bij gebreke daaraan, de nationaliteit van beide echtgenoten op het tijdstip van de huwelijkssluiting. Dit criterium kan niet worden toegepast wanneer beide echtgenoten dezelfde dubbele nationaliteiten hebben.
  • Bij gebreke daaraan, het recht van de staat waarmee de echtgenoten samen op het tijdstip van de huwelijkssluiting de nauwste band hadden.

Bij wijze van uitzondering en op voorwaarde dat een van de echtgenoten hierom vraagt, kan de bevoegde rechterlijke instantie beslissen dat het recht van een andere staat dan deze van de eerste gewone gemeenschappelijke verblijfplaats na de huwelijkssluiting van toepassing is (artikel 26.3).

Erkenning van beslissingen

Een beslissing over huwelijksvermogen uit een lidstaat wordt in de andere lidstaten erkend zonder dat er een procedure voor moet worden gevoerd. Dat is het principe van de plano erkenning.

De overheid die geconfronteerd wordt met een verzoek tot erkenning van een beslissing uit een andere lidstaat, moet wel de buitenlandse beslissing toetsen aan een aantal weigeringsgronden. Een beslissing zal niet worden erkend als:

  • de erkenning strijdig is met de openbare orde
  • de rechten van verdediging niet werden gerespecteerd
  • er onverenigbaarheid is met een eerdere beslissing

Er mag in geen geval getoetst worden aan de inhoudelijke juistheid van de beslissing uit een ander land dat partij is bij de Verordening.

Op dit punt zijn er geen grote verschillen met de erkenningsprincipes van de andere Europese verordening zoals de Brussel IIbis-verordening, de Erfrechtverordening en het Wetboek IPR.