9 oktober 2017

Uit de praktijkervaring van het Agentschap Integratie Inburgering blijkt dat er bij verschillende overheidsdiensten verwarring bestaat over het erkenningsregime van buitenlandse authentieke aktes. Meestal gaat het om de erkenning van huwelijken afgesloten in het buitenland.

Vastgestelde praktijken

Zo vragen sommige Belgische consulaten een bewijs van inschrijving van het huwelijk door de Belgische gemeente bij de aanvraag of verkrijging van een visum gezinshereniging. Deze werkwijze is echter strijdig met het de plano erkenningsregime voor buitenlandse authentieke aktes.

Ook de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) weigerde in bepaalde dossiers de aanvraag gezinshereniging zolang de buitenlandse huwelijksakte nog niet werd ingeschreven in het rijksregister of overgeschreven in de registers van burgerlijke stand door de gemeente in België.

Omgekeerd blijkt dat sommige gemeenten eisen dat beide echtgenoten zich aan hun loket melden om hun buitenlandse huwelijksakte te kunnen registreren. Vaak zal de buitenlandse echtgenoot maar naar België kunnen komen met een visum gezinshereniging. Een visum dat het Belgisch consulaat of DVZ soms pas aflevert nadat de buitenlandse huwelijksakte geregistreerd werd bij de Belgische gemeente (zie hierboven).

Gevolg: blokkering dossier gezinshereniging

Een dergelijke verkeerde toepassing van het erkenningsregime voor buitenlandse aktes door verschillende overheidsinstanties kan tot gevolg hebben dat het gezinsherenigingsdossier van betrokkenen geblokkeerd raakt en niet ten gronde behandeld wordt.

De plano erkenningsregime: erkenning buitenlandse akte is bevoegdheid van elke administratieve overheid

Voor de erkenning van buitenlandse huwelijksaktes geldt het algemeen erkenningsregime van het Wetboek Internationaal Privaatrecht (IPR) dat van toepassing is op de erkenning van alle buitenlandse authentieke aktes (artikel 27 Wetboek IPR).

Artikel 27, §1 van het Wetboek IPR stelt:

Een buitenlandse authentieke akte wordt in België door alle overheden erkend zonder dat een beroep moet worden gedaan op enige procedure indien haar rechtsgeldigheid wordt vastgesteld overeenkomstig het krachtens deze wet toepasselijk recht, en meer bepaald met inachtneming van de artikelen 18 en 21.”

Op basis hiervan zijn alle administratieve overheden in België op gelijke voet bevoegd om kennis te nemen van buitenlandse aktes en te oordelen over de erkenning ervan. Gevolgen?

  • DVZ moet dus bijvoorbeeld bij een aanvraag gezinshereniging op basis van een buitenlands huwelijk zelf oordelen over de geldigheid van de voorgelegde buitenlandse huwelijksakte. Het feit dat het huwelijk (nog) niet werd ingeschreven in het rijksregister of overgeschreven in de registers van burgerlijke stand, kan geen argument zijn om de gezinshereniging te weigeren. Dat bevestigt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in verschillende arresten (zie onderaan dit bericht: RvV arrest nr. 183.882 van15 maart 2017 en RvV arrest nr. 172.982 van 9 augustus 2016).
  • Een ander gevolg van de plano erkenning van buitenlandse aktes is dat de ene administratieve overheid niet gebonden is door een eventueel eerder genomen beslissing door een andere administratie. Zo zal de gemeente aan wie de buitenlandse akte wordt voorgelegd met het oog op registratie, nog altijd moeten nagaan of de akte voldoet aan de voorwaarden voor erkenning. Ook wanneer er in het betrokken dossier al een visum gezinshereniging afgeleverd werd op basis van het buitenlands huwelijk. Een buitenlandse akte van burgerlijke stand kan slechts als basis dienen voor een inschrijving in het rijksregister of overgeschreven worden in de registers van burgerlijke stand na onderzoek van de voorwaarden van erkenning die artikel 27§1 Wetboek IPR beschrijft (artikel 31 Wetboek IPR).
  • Omgekeerd zal ook de DVZ of een andere overheidsinstantie zelf een onderzoek kunnen doen naar de geldigheid van een buitenlandse akte door toetsing aan de voorwaarden voor erkenning, ook al werd de buitenlandse akte al overgeschreven.

De afzonderlijke en gedeelde bevoegdheid van de verschillende administratieve diensten om een buitenlandse akte te beoordelen, neemt niet weg dat de diensten onderling best rekening houden met eventuele onderzoeken die reeds eerder gebeurden in een bepaald dossier. Tegenstrijdige beslissingen over de erkenning van een buitenlandse akte zijn niet wenselijk en komen de rechtszekerheid niet ten goede. Maar als elke overheidsdienst afwijkt van het erkenningsregime voorzien door het Wetboek IPR, kan dit tot de blokkering van dossiers leiden en riskeert naast de rechtszekerheid ook het principe van behoorlijk bestuur in het gedrang te komen.