Hof van Justitie
C-646/16
(Khadija Jafari en Zainab Jafari) Prejudiciële verwijzing – Verordening (EU) nr. 604/2013 – Bepaling welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een derdelander bij een van de lidstaten wordt ingediend – Aankomst van een buitengewoon groot aantal derdelanders die internationale bescherming wensen – Organisatie van de grensoverschrijding door de autoriteiten van een lidstaat met het oog op doorreis naar een andere lidstaat – Binnenkomst die bij afwijking om humanitaire redenen wordt toegestaan – Artikel 2, onder m) – Begrip ‚visum’ – Artikel 12 – Afgifte van een visum – Artikel 13 – Illegale overschrijding van een buitengrens

Het hoofdgeding betreft Khadija en Zainab Jafari, alsook hun kinderen, die vanuit Afghanistan vertrokken zijn, om vervolgens door Iran, Turkije, Griekenland, de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, Servië en Kroatië naar Slovenië te reizen.

 

Bij aankomst in Slovenië op 15 februari 2016, werd aangegeven dat de verzoekers beoogden door te reizen naar Duitsland en Oostenrijk, ten einde daar een verzoek tot internationale bescherming in te dienen. Bij binnenkomst in Oostenrijk werd vervolgens het verzoek tot internationale bescherming ingediend voor de gehele familie. De bevoegde Oostenrijkse instantie heeft de Sloveense autoriteiten gevraagd om bijkomende informatie te verschaffen, omtrent de betrokken familie, op grond van artikel 34 van de Dublin III verordening (Dublin III). Het antwoord hierop luidde dat de betrokken familie louter door Slovenië was gereisd vanuit Kroatië en er bijgevolg geen noemenswaardige registratie van de familieleden had plaatsgevonden. In overeenstemming met artikel 21 Dublin III, werd vervolgens door de Oostenrijkse instanties, contact opgenomen met de bevoegde instantie in Kroatië, om de betrokken familie terug over te nemen. Hier werd echter geen gehoor aan gegeven. Als gevolg hiervan besloot de Oostenrijkse instantie dat Kroatië verantwoordelijk was voor het verzoek tot internationale bescherming en verklaarde bijgevolg dat het verzoek dat in Oostenrijk was ingediend, niet-ontvankelijk was.

 

Het beroep hiertegen ingesteld door de verzoekers werd verworpen in eerste aanleg, op grond van het feit dat de betrokken personen de Unie illegaal binnen waren gekomen en dat het feitelijk dulden door de autoriteiten van de verzoekers, hier geen afbreuk aan deed. Dit gaf echter aanleiding tot verschillende vragen die rezen in het daaropvolgend beroep, aangaande de draagwijdte en betekenis van het begrip visum, en wat de implicaties zijn van het feitelijke dulden van de familie op EU grondgebied, vis-à-vis de rechtmatigheid van het verblijf van de betrokken personen.

 

Meer specifiek werd gevraagd in welke mate het begrip ‘visum’ zoals opgenomen in Dublin III, autonoom is vis-à-vis overige EU-instrumenten en in welke mate het feitelijk dulden van de betrokken personen op doortocht naar andere lidstaten dient beschouwd te worden als het verlenen van een visum (1). Vervolgens werd ook de vraag gesteld in welke mate het feitelijk dulden van de betrokken personen, die niet voldoen aan de voorwaarden van binnenkomst , ertoe leidt dat zij illegaal in de EU verblijven en of deze conclusie te verantwoorden valt door de massale toestroom van verzoekers om internationale bescherming (2).

 

Wat betreft de eerste vraag omtrent de uitlegging van artikel 12 Dublin III, stelt het Hof dat het begrip visa een autonome definitie geniet en dit op grond van verschillende redenen. In eerste instantie, werpt het Hof op, dat artikel 2 Dublin III, verschillende soorten visa omvat, inclusief visa voor verblijf van langere duur, wat vooralsnog niet geharmoniseerd is in overige EU-rechtelijke teksten (i.t.t. andere visa geharmoniseerd in de Visumcode). Bovendien is het zo, dat in de definitie van het begrip visa in Dublin III, geen verwijzing is naar overige EU-instrumenten, hoewel dit wel het geval is voor andere definities die daarin opgenomen zijn. Gezien de conclusie, aldus het Hof, dat het begrip ‘visa’ uitgelegd dient te worden binnen het kader van Dublin III, als verwijzende naar een door een “nationale instantie formeel vastgestelde handeling”, kan het louter dulden van individuen op het grondgebied, niet gelijkgesteld worden aan het verlenen van een visum. 

 

Aangaande de tweede vraag omtrent de rechtmatigheid van de binnenkomst, zoals bepaald in artikel 13 Dublin III, herhaalt het Hof dat er geen eenduidige definitie betreffende illegale overschrijding voorhanden is in de desbetreffende tekst, noch in andere EU-rechtelijke instrumenten. Dit impliceert dat het begrip geïnterpreteerd moet worden volgens vaststaande rechtspraak in overeenstemming met de gebruikelijke betekenis daarvan inclusief het doel en de context. Zowel de nationaalrechtelijke regels omtrent binnenkomst, alsook de regels hieromtrent in de Schengengrenscode zijn bijgevolg van toepassing. Volgens de Schengengrenscode, kan een lidstaat om humanitaire redenen een individu op het grondgebied uitzonderlijk toelaten, hoewel deze niet voldoet aan de voorwaarden voor binnenkomst. Dergelijke toelating is enkel van toepassing op de desbetreffende lidstaat. Deze bepaling is bijgevolg geen regularisatie van de binnenkomst met oog op het verder faciliteren van een doorreis naar een andere lidstaat om daar internationale beschermging te verzoeken. In de zaak voorhanden is het zo,  aldus het Hof, dat de individuen op illegale wijze zijn binnengekomen. Hieraan wordt geen afbreuk gedaan door de verwijzing naar de grote aantallen derdelanders die om internationale bescherming verzoeken.