Hof van Justitie
C-353/16
(MP tegen Secretary of State for the Home Department) Prejudiciële verwijzing – Asielbeleid – Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – Artikel 4 – Richtlijn 2004/83/EG – Artikel 2, onder e) – Voorwaarden om voor de subsidiairebeschermingsstatus in aanmerking te komen – Artikel 15, onder b) – Risico op ernstige schade aan de geestelijke gezondheid van verzoeker indien hij wordt teruggestuurd naar zijn land van herkomst – Persoon die in zijn land van herkomst aan foltering is blootgesteld

In zaak MP t. Secretary of State for the Home Department werd het Hof gevraagd in welke mate een individu in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming op grond van Richtlijn 2004/83/EG[1], wanneer de persoon in kwestie niet kan aantonen dat er nog steeds een risico op de doodstraf, foltering of onmenselijke of vernederende bestraffing of behandeling bestaat bij terugkeer naar het land van herkomst, maar wel nog de gevolgen van dergelijke handelingen ondergaat van dergelijke handelingen door de autoriteiten in het land van herkomst, en het gezondheidsstelsel in het land van herkomst geen passende zorg kan bieden aan de persoon in kwestie.

De zaak betrof MP – een Sri Lankaans student – die in 2009 in het Verenigd Koninkrijk een asielverzoek heeft ingediend op grond van zijn samenwerking met de organisatie “Bevrijdingstijgers van Tamil Eelam”, waarvoor hij door de Sri Lankaanse autoriteiten werd gevangengehouden en gefolterd. MP beweerde dat bij terugkeer, het risico op foltering door de desbetreffende veiligheidsdiensten alsnog bestond en er geen passende behandeling kon gegeven worden in het land van herkomst voor de posttraumatische stressstoornis en depressie die hij had ontwikkeld ten gevolge van de eerdere foltering. De bevoegde autoriteiten beslisten tevergeefs dat het risico gefolterd te worden bij terugkeer, niet langer bestond en het asielverzoek en verzoek voor subsidiaire bescherming werden bijgevolg niet ingewilligd. De Supreme Court of the United Kingdom stelde zich echter wel de vraag in welke mate het gebrek aan passende gezondheidszorg in het land van herkomst voor de opgelopen gevolgen van de foltering aan de hand van de veiligheidsdiensten in Sri Lanka een grond vormen om subsidiaire bescherming toe te kennen binnen het kader van Richtlijn 2004/83/EG. 

 

In casu benadrukt het Hof dat eerdere foltering op zichzelf volgens het Unierecht niet volstaat om in aanmerking te komen voor subsidiaire bescherming, daar de desbetreffende bepalingen bedoeld zijn individuen te beschermen tegen een reëel risico en ernstige schade bij terugkeer naar het land van herkomst. Het Hof nuanceert dit echter door te verwijzen naar de feitelijke omstandigheden van de zaak, die in het bijzonder betrekking hebben op een individu die de nawerkingen van de eerdere foltering alsnog ondergaat en waarvoor geen passende behandeling bestaat in het land van herkomst, waardoor de gezondheidstoestand van de persoon in kwestie aanzienlijk kan verergeren en mogelijks tot zelfdoding kan leiden. Binnen dit kader, stelt het Hof dat de desbetreffende Richtlijn gelezen moet worden in overeenstemming met het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (Handvest) en voor wat betreft corresponderende rechten daarin vervat, met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).

 

Rechtspraak van het EHRM omtrent de corresponderende bepaling in het Handvest, stelt dat een persoon niet kan uitgewezen worden naar het land van herkomst in zoverre de persoon in kwestie lijdt aan een zware psychische of lichamelijke aandoening (1), er in het land van herkomst geen passende medische zorg beschikbaar is (2) en er een aanzienlijk en reëel risico bestaat dat de gezondheidstoestand van de betrokken persoon zou verergeren (3).

 

Het Hof legt echter wel uit dat de vraag die zich in de prejudiciële verwijzing stelt, niet een vraag van uitwijzing betreft zoals besproken in voorgaande rechtspraak van het EHRM, maar een vraag is aangaande een mogelijke plicht tot ontvangst en subsidiaire bescherming door een lidstaat op grond van Richtlijn 2004/83/EG. In casu concludeert het Hof bijgevolg dat hoewel het EVRM zich verzet tegen een verwijdering van een individu in dergelijke omstandigheden, dit geen plicht bevat om in subsidiaire bescherming te voorzien conform de desbetreffende Richtlijn.




[1] Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming (PB 2004, L 304, blz. 12).