Hof van Justitie
C-181/16
(Sadikou Gnandi t. Belgische Staat) Prejudiciële verwijzing – Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht – Terugkeer van illegaal verblijvende derdelanders – Richtlijn 2008/115/EG – Artikel 3, punt 2 – Begrip ‚illegaal verblijf’ – Artikel 6 – Vaststelling van een terugkeerbesluit zonder de uitkomst van het beroep tegen de afwijzing van het verzoek om internationale bescherming door de beslissingsautoriteit af te wachten – Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – Artikel 18, artikel 19, lid 2, en artikel 47 – Beginsel van non-refoulement – Recht op een doeltreffende voorziening in rechte – Toestemming om in een lidstaat te blijven

Deze zaak betreft de Togolese man, Gnandi, die op 14 april 2011 een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend bij de Belgische autoriteiten. Dit verzoek werd afgewezen door de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en Staatslozen, waarna Gnandi het bevel verkreeg om het Belgische grondgebied te verlaten. Gnandi stelde beroep in tegen het besluit tot afwijzing van het verzoek om internationale bescherming en het terugkeerbesluit, maar beide beroepen werden door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen afgewezen. Tegen het arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelde Gnandi vervolgens cassatieberoep in voor de Raad van State, dewelke als verwijzende rechter een prejudiciële vraag richtte tot het Hof van Justitie. De verwijzende rechter wenst te vernemen of het beginsel van non-refoulement en het recht op een doeltreffende voorziening in rechte zoals dit voortvloeit uit art. 5 Richtlijn 2008/115[1] zich verzet tegen de vaststelling van een terugkeerbesluit voordat de rechtsmiddelen tegen een beslissing tot afwijzing van het verzoek om internationale bescherming kunnen worden uitgeput en voordat de procedure voor internationale bescherming aldus definitief kan worden afgesloten.

 

Hoewel Gnandi alsnog een machtiging tot voorlopig verblijf op Belgisch grondgebied tot 1 maart 2017 heeft bekomen als gevolg van de vernietiging door de Raad voor Vreemdelingbetwistingen van de beslissing tot afwijzing van het verzoek om internationale bescherming aangenomen door de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en Staatslozen, werd het door de verwijzende rechter toch nodig geacht om een antwoord te bekomen op de prejudiciële vraag. Een nieuw verzoek tot internationale bescherming werd immers eveneens door de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en Staatslozen geweigerd. Bijgevolg velde het Hof van Justitie alsnog een oordeel in de zaak Gnandi t. Belgische staat.

 

Om de prejudiciële vraag te beantwoorden moet eerst worden nagegaan of het bevel om het grondgebied te verlaten kan worden gekwalificeerd als een terugkeerbesluit overeenkomstig Richtlijn 2008/115. Uit de definitie van een terugkeerbesluit voorzien in art. 3, punt 4 Richtlijn 2008/115 volgt dat de derdelander slechts het voorwerp kan zijn van een terugkeerbesluit wanneer deze derdelander illegaal verblijft op het grondgebied van een EU-lidstaat. Dit houdt in dat de derdelander aanwezig is op het grondgebied van een EU-lidstaat zonder te voldoen aan de voorwaarden voor toegang tot, dan wel verblijf of vestiging in deze lidstaat. Een derdelander die om internationale bescherming in een EU-lidstaat verzoekt, heeft overeenkomstig art. 7, lid 1, Richtlijn 2005/85[2] het recht om in deze EU-lidstaat te blijven tot het verzoek om internationale bescherming wordt afgewezen. Bijgevolg kan derdelander niet als illegaal worden gekwalificeerd in de periode vanaf de indiening van een verzoek om internationale bescherming tot aan de vaststelling van het besluit in eerste aanleg. Dit recht om te blijven eindigt wanneer het verzoek om internationale bescherming wordt afgewezen, waardoor het verblijf van de derdelander vanaf deze beslissing illegaal wordt. Toestemming om in de EU-lidstaat te blijven in afwachting van de uitkomst van een rechtsmiddel verandert niets aan het illegaal karakter van het verblijf van de derdelander. Bijgevolg mag een terugkeerbesluit aangenomen worden meteen na of tezamen met een beslissing tot het afwijzen van een verzoek om internationale bescherming.

 

Het Hof van Justitie benadrukt echter dat de EU-lidstaten bij de aanname van een terugkeerbesluit een reeks procedurele waarborgen in acht moeten nemen.  Dit geldt niet alleen wanneer een terugkeerbesluit tegelijk met de afwijzing van een verzoek om internationale bescherming wordt vastgesteld – zoals uitdrukkelijk is voorzien in art. 6, lid 6, Richtlijn 2008/115 – maar ook wanneer het terugkeerbesluit onmiddellijk na de afwijzing van het verzoek om internationale bescherming wordt vastgesteld. Zo moet de EU-lidstaat voorzien in een rechtsmiddel tegen een afwijzingsbeslissing van een verzoek om internationale bescherming dat ten volle doeltreffend is, met inachtneming van het beginsel van processuele gelijkheid. Dit houdt in dat de gevolgen van het terugkeerbesluit moeten worden geschorst gedurende de termijn voor de instelling van dit rechtsmiddel en – indien dit rechtsmiddel wordt ingesteld – tot aan de beslissing daarop. Het Hof van Justitie beklemtoont dat alle rechtsgevolgen moeten worden geschorst, dus ook de termijn voor vrijwillig vertrek en de inbewaarstelling van de derdelander met het oog op de verwijdering. De derdelander behoudt daarenboven ook de status van persoon die om internationale bescherming verzoekt zolang er niet definitief over het verzoek is beslist. Daarnaast moet de derdelander de mogelijkheid hebben om zich te beroepen op elke wijziging in de omstandigheden na de vaststelling van het terugkeerbesluit die een weerslag van betekenis kan hebben op de beoordeling van de situatie. Tot slot vermeldt het Hof van Justitie dat de EU-lidstaat moet voorzien in een billijke en transparante terugkeerprocedure. Het voorgaande in overweging nemend, stelt het Hof – onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter – dat de Belgische Dienst Vreemdelingenzaken de procedurele waarborgen niet in acht heeft genomen. Niet alle rechtsgevolgen van het terugkeerbesluit zijn geschorst gedurende de termijn voor het instellen van een rechtsmiddel tot aan de definitieve beslissing.

 

Het Hof van Justitie komt dus tot het besluit dat een EU-lidstaat een terugkeerbesluit kan uitvaardigen tegen een derdelander die een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend wanneer dit verzoek wordt afgewezen door de nationale bevoegde instantie. De betrokken EU-lidstaat moet echter wel waarborgen dat alle rechtsgevolgen van het terugkeerbesluit worden geschorst in afwachting van de uitkomst van een beroep tegen een afwijzingsbeslissing, dat de derdelander tijdens die periode het voordeel kan genieten van de rechten die voortvloeien uit de status van persoon die om internationale bescherming verzoekt en dat hij zich kan beroepen op elke wijziging in de omstandigheden na de vaststelling van het terugkeerbesluit die een weerslag van betekenis zou kunnen hebben op de beoordeling van de situatie van de derdelander.




[1] Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven, PB L 348, 24 december 2008, 98-107.

[2] Richtlijn 2005/85 van de Raad van 1 december 2005 betreffende minimumnormen voor de procedures in de lidstaten voor de toekenning of intrekking van de vluchtelingenstatus, PB L 326, 1” december 2005, 13-34.