Hof van Justitie
C-635/17
(E. t. Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie) Prejudiciële verwijzing – Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht – Immigratiebeleid – Recht op gezinshereniging – Richtlijn 2003/86/EG – Uitsluitingen van de werkingssfeer van de richtlijn – Artikel 3, lid 2, onder c) – Uitsluiting van subsidiair beschermden – Uitbreiding door het nationale recht van het recht op gezinshereniging tot die personen – Bevoegdheid van het Hof – Artikel 11, lid 2 – Ontbreken van officiële bewijsstukken waaruit de gezinsband blijkt – Gegeven uitleg onvoldoende plausibel geacht – Op de autoriteiten van de lidstaten rustende verplichtingen om aanvullende stappen te ondernemen – Grenzen

A. woont sinds 11 maart 2015 in Nederland, waar zij een subsidiaire beschermingsstatus geniet. Op 16 april 2015 heeft A. bij de Nederlandse autoriteiten een verzoek om gezinshereniging ingediend ten behoeve van E. Ter ondersteuning van het verzoek tot gezinshereniging heeft A. een verklaring van het Eritrees Bevrijdingsfront overgelegd waaruit blijkt dat zij de tante van E. is en sinds het overlijden van zijn biologische ouders in 2008 voor E. gezorgd heeft als zijn voogd. De Staatssecretaris heeft het verzoek afgewezen omdat de verklaring van het Eritrees Bevrijdingsfront onbevoegd is afgegeven en er geen andere officiële bewijsstukken zijn overgelegd om het bestaan van familiebanden tussen E. en A. of het overlijden van de ouders van E. te bewijzen, terwijl Eritrea dergelijke documenten wel afgeeft. Voorts heeft A. volgens de Staatssecretaris geen plausibele uitleg gegeven over de onmogelijkheid om deze bewijsstukken over te leggen. Zij is daarover echter niet gehoord. De voogdij van A. over E. wordt door de Staatssecretaris niet apart betwist omdat die naar Eritrees recht van rechtswege voortvloeit uit de familieverwantschap met een kind dat zijn ouders verloren heeft. Als A. dus kan aantonen dat zij de tante is van E., dan is de voogdij niet meer in kwestie. Tegen het besluit van de Staatssecretaris is beroep ingesteld bij de Rechtbank Den Haag, die de zaak verwezen heeft naar het Hof van Justitie.

                                                            

De Rechtbank vraagt om uitleg over artikel 11 lid 2 van Richtlijn 2003/86 inzake gezinshereniging met derdelanders. Deze bepaling luidt dat de afwijzing van een verzoek tot gezinshereniging dat is ingediend door een vluchteling niet louter wegens het ontbreken van bewijsstukken mag worden afgewezen. De nationale rechter vraagt of het ontbreken van bewijsstukken nooit automatisch tot een afwijzing mag leiden, of dat de nationale autoriteiten wel om een plausibele verklaring voor het ontbreken daarvan mogen vragen, bij gebreke waaraan de aanvraag wel mag worden afgewezen.

 

In het onderzoek naar het bestaan van reële gezinsbanden tussen de gezinshereniger en het familielid voor wie gezinshereniging wordt aangevraagd hebben de nationale autoriteiten een zekere beoordelingsmarge. De uitoefening van die beoordelingsmarge mag echter niet afdoen aan het doel en aan het nuttig effect van richtlijn 2003/86 en moet in overeenstemming zijn met de grondrechten die in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie zijn neergelegd. In het bijzonder moet rekening gehouden worden met artikel 7 van het Handvest inzake het recht op familieleven en artikel 24 van het Handvest ter bescherming van de belangen van het kind, waaruit de verplichting voortvloeit om het gezinsleven te begunstigen. In de context hiervan moeten de noodzaak dat een kind regelmatig persoonlijke betrekkingen met zijn beide ouders kan onderhouden en de aard en de hechtheid van de gezinsband tussen de betrokken personen worden meegewogen. Daarnaast moet rekening gehouden worden met de duur van het verblijf in de lidstaat en het bestaan van familiebanden en culturele of sociale banden met het land van herkomst. Als laatste moeten de leeftijd van de betrokken kinderen, hun situatie in het land van herkomst en de mate waarin zij van hun familieleden afhankelijk zijn in acht worden genomen. De uiteindelijk beslissing moet gebaseerd zijn op alle omstandigheden van het geval, waarin één factor niet automatisch de doorslag mag geven. Tegelijkertijd volgt uit het systeem van richtlijn 2003/86 een samenwerkingsplicht voor de betrokkene die officiële bewijsstukken van zijn situatie moet aanleveren. Deze samenwerkingsplicht betekent onder andere dat de betrokkene zich meewerkend op zal moeten stellen in het onderzoek naar de gezinsband tussen de betrokkenen en dat hij de aanvraag zoveel mogelijk met stukken moet onderbouwen. Hieruit volgt ook dat hij zich beschikbaar moet houden voor aanvullende vragen en dat hij, wanneer hij geen officiële bewijsstukken kan overleggen waaruit de gezinsband blijkt, de onmogelijkheid hiertoe kan verklaren.

 

Het onderzoek naar de bewijskracht of de plausibiliteit van de ingediende bewijsstukken vereisen een individuele beoordeling. In die beoordeling moeten de nationale autoriteiten rekening houden met alle relevante elementen, daaronder begrepen de leeftijd, het geslacht, de opleiding, de herkomst en de sociale positie van de gezinshereniger en van het betrokken gezinslid, alsmede met specifieke culturele aspecten. Deze elementen moeten allereerst objectief worden beoordeeld aan de hand van zowel algemene als specifieke relevante, objectieve, betrouwbare, precieze en bijgewerkte informatie over de situatie in het land van herkomst. Ten tweede moeten de nationale autoriteiten rekening houden met de persoon van de gezinshereniger, met de concrete situatie waarin hij zich bevindt en met de bijzondere problemen waarmee hij wordt geconfronteerd. In die context moet eveneens rekening gehouden worden met de redenen die de betrokkene ertoe hebben gebracht om zijn land te ontvluchten en die hem belet hebben om daar een normaal gezinsleven te leiden. In die situatie was het vaak onmogelijk of gevaarlijk om officiële documenten te verkrijgen.

 

Daar staat tegenover dat wanneer de gezinshereniger de samenwerkingsplicht overduidelijk niet nakomt of indien op basis van objectieve elementen vastgesteld wordt dat het om een frauduleus verzoek gaat, de aanvraag afgewezen mag worden. Wanneer hier geen sprake van is mag de aanvraag niet afgewezen worden vanwege de enkele omstandigheid dat er bewijsstukken ontbreken. In casu blijkt niet dat A. de op haar rustende samenwerkingsplicht niet is nagekomen. Zij heeft alle vragen van de Staatssecretaris beantwoord en zij heeft uiteengezet waarom het voor haar niet mogelijk was om de gevraagde officiële bewijsstukken over te leggen. Zij heeft toegelicht dat de mogelijkheid om officiële documenten te verkrijgen sterk afhankelijk is van de lokale omstandigheden en dat het aanvragen van die documenten in het dorp waaruit zij afkomstige is een risico met zich mee zou brengen voor haar en voor haar bekenden en familieleden. De Staatssecretaris heeft weliswaar rekening gehouden met algemene informatie over de situatie in Eritrea, maar het blijkt niet dat hij ook de lokale situatie in Eritrea heeft meegewogen, of rekening heeft gehouden met de concrete situatie van A. en E.. Noch geeft het dossier er blijk van dat de Staatssecretaris de belangen van E. heeft meegewogen in overeenstemming met de verplichting om de belangen van het kind voorop te stellen. Daarin speelt mee dat de Staatssecretaris ervan afgezien heeft om de betrokkene te horen en om aanvullende informatie te vragen. De verwijzende rechter zal deze omstandigheden moeten toetsen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de richtlijn en op basis daarvan moeten beoordelen of de beslissing verenigbaar is met het EU recht.