Hof van Justitie
C-89/17
(Secretary of State for the Home Department t. Rozanne Banger) Prejudiciële verwijzing – EU-burgerschap – Artikel 21 VWEU – Recht van Unieburgers op vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de Unie – Richtlijn 2004/38/EG – Artikel 3, lid 2, eerste alinea, onder b) – Partner met wie de Unieburger een deugdelijk bewezen duurzame relatie heeft – Terugkeer naar de lidstaat waarvan de Unieburger de nationaliteit bezit – Aanvraag van een verblijfsvergunning – Nauwkeurig onderzoek van de persoonlijke situatie van de aanvrager – Artikelen 15 en 31 – Effectieve rechtsbescherming – Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – Artikel 47

De zaak betreft een Zuid-Afrikaans / Brits koppel dat ongetrouwd is. Zij hebben eerst in Zuid-Afrika en daarna in Nederland gewoond. In 2013 zijn zij naar het Verenigd Koninkrijk verhuisd. Banger, die de Zuid-Afrikaanse nationaliteit heeft, heeft bij aankomst een verblijfskaart aangevraagd voor verblijf bij haar ongetrouwde partner, Rado, die de Britse nationaliteit heeft. Haar verzoek werd afgewezen omdat de nationale wet alleen voorziet in verblijf bij echtgenoot of bij een geregistreerd partner.

 

In Surinder Singh werd bepaald dat een afgeleid verblijfsrecht van een derdelander dat is opgebouwd in de gastlidstaat waar zij met haar EU partner verblijft, bij terugkeer naar de lidstaat van herkomst van de EU burger behouden kan worden. Richtlijn 2004/38 moet dan naar analogie toegepast worden. Het verschil met Surinder Singh is dat het echtpaar in die zaak getrouwd was, terwijl dat in de onderhavige situatie niet het geval is. De verwijzende rechter vraagt of de afgifte van een verblijfsvergunning aan de ongetrouwde partner van een EU burger die in zijn lidstaat van herkomst verblijft op basis van Richtlijn 2004/38 of op basis van de jurisprudentie verplicht is of vergemakkelijkt moet worden. Daarnaast wordt de vraag gesteld of de weigering van een verzoek hiertoe gemotiveerd moet worden met inachtneming van de persoonlijke situatie van de aanvrager, en of er in dat geval een beroepsmogelijkheid beschikbaar moet zijn.

 

Het Hof begint met vast te stellen dat Richtlijn 2004/38 niet van toepassing is op een EU burger die verblijft in de lidstaat waar hij de nationaliteit van heeft. Desalniettemin kunnen familieleden van een EU burger in die situatie in bepaalde gevallen direct een verblijfsrecht aan artikel 21 lid 1 VWEU ontlenen. Richtlijn 2004/38 moet dan naar analogie worden toegepast. Artikel 3(2b) van die richtlijn gaat over de ongehuwde partner. In die bepaling is opgenomen dat het gastland overeenkomstig het nationale recht binnenkomst en verblijf van deze partner vergemakkelijkt. De lidstaten zijn niet verplicht om een recht van binnenkomst en verblijf toe te kennen aan deze familieleden, maar zij zijn wel verplicht om aanvragen die hiertoe zijn ingediend in behandeling te nemen en gunstiger te beoordelen dan andere aanvragen.

 

Een derdelander die bij haar ongetrouwde partner in de gastlidstaat heeft verbleven mag na terugkeer naar de lidstaat van herkomst van haar partner niet minder gunstig behandeld worden dan ongetrouwde partners afkomstig uit een derde land van een Unieburger die verblijft in een lidstaat waarvan hij de nationaliteit niet heeft. Artikel 3(2) moet dus naar analogie worden toegepast. De beslissing die aangaande deze aanvraag wordt genomen moet gebaseerd zijn op een nauwkeurig onderzoek van de persoonlijke situatie van de betrokkenen en dient te zijn gemotiveerd. Alle relevante omstandigheden van het geval moeten daarin worden meegenomen. De lidstaten hebben een ruime beoordelingsmarge, voor zover de gestelde voorwaarden daadwerkelijk invulling geven aan de gebruikelijke betekenis van het woord ‘vergemakkelijkt’ en mits de bepaling niet van haar nuttig effect wordt beroofd.

 

Tot slot overweegt het Hof dat de procedurele waarborgen die zijn neergelegd in artikel 31(1) van Richtlijn 2004/38 ook van toepassing zijn op familieleden van een EU burger die binnen de reikwijdte van artikel 3(2) van de richtlijn vallen. Deze procedurele waarborgen zijn inclusief de mogelijkheid om beroep in te stellen tegen een afwijzende beslissing in overeenstemming met de vereisten zoals die voortvloeien uit artikel 47 Handvest. Aangezien de lidstaten een ruime beoordelingsmarge hebben moet de nationale rechter met name nagaan of het bestreden besluit op een voldoende solide feitelijke grondslag is gebaseerd. Daarnaast moet de nationale rechter nagaan of de procedurele waarborgen voldoende in acht zijn genomen, waaronder de verplichting om de persoonlijke situatie van de aanvrager nauwkeurig te onderzoeken en een eventuele weigering van toegang of verblijf te motiveren.