Hof van Justitie
C-331/16 en C-366/16
(K. t. Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie en H. F. t. Belgische Staat) Prejudiciële verwijzing – Burgerschap van de Europese Unie – Recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten – Richtlijn 2004/38/EG – Artikel 27, lid 2, tweede alinea – Beperking van het inreisrecht en van het verblijfsrecht om redenen van openbare orde, openbare veiligheid of volksgezondheid – Verwijdering van het grondgebied om redenen van openbare orde of openbare veiligheid – Gedrag dat een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt – Persoon van wie de asielaanvraag is afgewezen om redenen vallend onder artikel 1, afdeling F, van het Verdrag van Genève of onder artikel 12, lid 2, van richtlijn 2011/95/EU – Artikel 28, lid 1 – Artikel 28, lid 3, onder a) – Bescherming tegen verwijdering – Verblijf in de lidstaat van ontvangst gedurende de laatste tien jaar – Dwingende redenen van openbare veiligheid – Begrip

In de gevoegde zaken K. t. Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie en H.F. t. Belgische Staat, werd het Hof de vraag gesteld in welke mate een weigering van een verblijfsrecht in respectievelijk Nederland en België, op grond van een gevaar voor de openbare orde en openbare veiligheid door vermeende oorlogsmisdaden in het verleden, in overeenstemming is met de bepalingen vervat in de Burgerschapsrichtlijn 2004/38/EG[1].

 

De zaak K. t. Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie ging over K. die zowel de Kroatische als Bosnische nationaliteit heeft.  In 2001 heeft hij samen met zijn echtgenote en minderjarige zoon verschillende malen asiel aangevraagd zonder succes. In 2013 werd dhr. K. bovendien een inreisverbod opgelegd, waartegen hij beroep indiende volgend op de toetreding van Kroatië tot de Unie. Desondanks het feit dat dit beroep werd ingewilligd, werd K. alsnog ongewenst verklaard op grond van het feit dat hij zich schuldig had gemaakt aan oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid door zijn tussenkomst in het Bosnische leger en bijgevolg een gevaar vormde voor de openbare orde en veiligheid.

 

De zaak H.F. t. Belgische Staat betrof een Afghaanse burger die in 2000 zonder succes een asielaanvraag indiende bij de Nederlandse instanties. Vervolgens heeft dhr. H.F. samen met zijn dochter, vanaf 2011, verschillende verblijfsaanvragen ingediend bij de Belgische autoriteiten. In 2013 werd deze aanvraag ingediend als familielid van een EU-burger daar de dochter van dhr. H.F. de Nederlandse nationaliteit had. Alweer werd deze aanvraag geweigerd door de Belgische autoriteiten op grond van het feit dat ook dhr. H.F. deel had genomen aan oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid. Ook hier werd de vraag gesteld aan het Hof in welke mate de weigering van een verblijfsrecht op grond van dergelijke praktijken in overeenstemming is met de bepalingen vervat in de Burgerschapsrichtlijn.

In eerste instantie herhaalt het Hof, in overeenstemming met vaststaande rechtspraak, dat lidstaten beperkingen kunnen opleggen aan het vrij verkeer van personen op grond van het begrip openbare orde en openbare veiligheid en dat individuen die in het verleden vluchtelingenstatus ontzegd zijn geweest voor vermeende oorlogsmisdrijven mogelijks ook gevat kunnen worden door de desbetreffende bepalingen in de Burgerschapsrichtlijn aangaande openbare orde en openbare veiligheid. Het Hof nuanceert dit echter, door erop te wijzen dat een uitsluiting op grond van openbare orde en veiligheid omwille van vermeende oorlogsmisdrijven in het verleden, weliswaar niet automatisch kan gebeuren. Volgens vaststaande rechtspraak van het Hof, is een beoordeling per geval vereist, rekening houdend met de mate waarin de loutere aanwezigheid in een lidstaat van de persoon in kwestie, een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging is voor de samenleving.

 

Ten einde na te gaan in welke mate de aanwezigheid van de persoon in kwestie een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging is voor de samenleving, dient er rekening gehouden te worden met zowel het persoonlijke gedrag van de persoon alsook een globale analyse van het vermeende gevaar voor de openbare orde en veiligheid van de lidstaat. Wat betreft het persoonlijke gedrag van de persoon in kwestie, dient gekeken te worden naar o.a., de aard en ernst van de vermeende misdaden, de betrokkenheid, en gronden voor het uitsluiten van strafrechtelijke verantwoordelijkheid. Bij de globale beoordeling van het mogelijk gevaar voor de openbare orde en veiligheid moet er o.a. gekeken worden naar de verstreken tijd sinds de vermeende oorlogsmisdrijven en het gedrag van de persoon in kwestie sindsdien. Dit vereist dat de nationale instanties dienen na te gaan in welke mate de persoon in kwestie nog steeds een houding aanneemt die indruist tegen de fundamentele waarden van de lidstaat en Unie. Als laatste benadrukt het Hof dat bij elke beoordeling per geval, rekening moet gehouden worden met het evenredigheidsbeginsel. Dit vereist een onder meer, een analyse van de aard en ernst van de betrokken gedragingen van de persoon in kwestie, alsook de verstreken tijd sinds de vermeende misdrijven.




[1] Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG, PB.L. 2004, afl. 158, blz. 77-123.