Grondwettelijk Hof
18/2018
Vreemdelingenrecht - Indiening van een verblijfsaanvraag - Retributie tot dekking van de administratieve kosten – vernietiging voor zover erkende staatlozen niet zijn vrijgesteld – verwerping van de beroepen voor het overige

B.19.4. De wetgever is in gebreke gebleven om tegemoet te komen aan de vaststelling, door het Hof bij zijn voormelde arresten nrs. 198/2009 en 1/2012, dat de wet van 15 december 1980 niet bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre zij niet voorziet in een bepaling die soortgelijk is aan artikel 49 ervan, opdat een in België erkende staatloze, die deze status heeft verkregen omdat hij buiten zijn wil zijn nationaliteit heeft verloren en aantoont dat hij geen wettige en duurzame verblijfstitel kan verkrijgen in een andere Staat waarmee hij banden zou hebben, een verblijfsrecht zou kunnen verkrijgen dat vergelijkbaar is met datgene dat een vluchteling geniet.

 

De wet van 10 juni 2014 stemt in met het Verdrag van de Verenigde Naties tot beperking der staatloosheid, gedaan te New York op 30 augustus 1961, dat ten aanzien van België in werking is getreden op 29 september 2014.

 

B.19.5. In de huidige stand van de wetgeving kunnen de erkende staatlozen geen aanvraag voor een verblijfsvergunning indienen op grond van de artikelen 48 en volgende van de wet van 15 december 1980 – bepalingen die enkel betrekking hebben op de aanvraag voor internationale bescherming van asielzoekers en personen die subsidiaire bescherming wensen – en dienen zij een beroep te doen op artikel 9bis van die wet om hun verblijf te regulariseren.

 

In samenhang met de bestreden bepalingen leidt een en ander ertoe een en ander de erkende staatlozen te aanzien van wie wordt vastgesteld dat zij hun nationaliteit buiten hun wil hebben verloren en die aantonen dat zij geen wettige en duurzame verblijfstitel kunnen verkrijgen in een andere Staat waarmee zij banden zouden hebben, die zich op die hoedanigheid beroepen om een aanvraag voor een verblijfsvergunning in te dienen, de bestreden retributie verschuldigd zijn, terwijl de asielzoekers en personen die subsidiaire bescherming aanvragen, daarvan zijn vrijgesteld.

 

Nu die laatste vrijstelling is ingegeven door de wil van de wetgever om rekening te houden met de internationale verbintenissen van de Belgische Staat, is het in het licht van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie niet redelijk verantwoord geen enkele vrijstelling te verlenen aan personen die onder de bescherming vallen van het Verdrag van New York betreffende de status van staatlozen van 28 september 1954, terwijl de personen die onder de bescherming vallen van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 betreffende de status van vluchtelingen wel van de retributie zijn vrijgesteld wanneer zij een aanvraag voor een verblijfsvergunning indienen.

 

B.19.6. De in B.19.1 vermelde onderdelen van middelen zijn gegrond in zoverre zij betrekking hebben op erkende staatlozen ten aanzien van wie wordt vastgesteld dat zij hun nationaliteit buiten hun wil hebben verloren en die aantonen dat zij geen wettige en duurzame verblijfstitel kunnen verkrijgen in een andere Staat waarmee zij banden zouden hebben.

 

Artikel 1/1, § 2, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, ingevoegd bij artikel 196 van de programmawet van 19 december 2014 dient te worden vernietigd in zoverre het niet voorziet in een vrijstelling voor de aanvragen voor een verblijfsvergunning die uitgaan van die erkende staatlozen.