Grondwettelijk Hof
14/2018
Vreemdelingenrecht - Verblijfsrecht - Verzoek tot toegang en verblijf in het kader van het recht op gezinshereniging - Vreemdeling die door middel van een wettelijk geregistreerd partnerschap verbonden is met een vreemdeling die sedert minimaal twaalf maanden toegelaten of gemachtigd is tot een verblijf van onbeperkte duur in het Rijk of sedert minimaal twaalf maanden gemachtigd is om er zich te vestigen - Bewijs van een naar behoren geattesteerde duurzame en stabiele partnerrelatie

B.7.1. In het Belgische recht is de wettelijke samenwoning niet gelijkgesteld met het huwelijk. Beide samenlevingsvormen verschillen niet enkel fundamenteel wat de totstandkoming en de beëindiging ervan betreft. De juridische toestand waarin de echtgenoten, enerzijds, en de wettelijk samenwonenden, anderzijds, zich bevinden, verschilt ook wat hun persoonlijke verplichtingen jegens elkaar en hun vermogensrechtelijke toestand betreft.

 

B.7.2. De bepalingen van het Burgerlijk Wetboek die de strijd tegen schijnsamenwoning beogen zijn grotendeels geïnspireerd door de bepalingen die beogen schijnhuwelijken tegen te gaan. Die keuze heeft evenwel niet tot gevolg dat de wetgever ertoe gehouden is om wettelijk samenwonenden zoals gehuwden te behandelen wanneer hij de voorwaarden voor gezinshereniging vaststelt.

 

B.8.1. Zoals in B.4.1 is vermeld, wenste de wetgever met de in het geding zijnde bepalingen op te treden tegen misbruiken begaan bij schijnsamenwoning teneinde een verblijfstitel te bekomen.

 

Zoals in B.5.4 is vermeld, dient de ambtenaar van de burgerlijke stand bij het afleggen van een verklaring tot wettelijke samenwoning na te gaan of de betrokkenen de intentie hebben om een duurzame en stabiele relatie aan te gaan of verder te zetten. Het is niet uitgesloten dat na de totstandkoming van de wettelijke samenwoning, bij het onderzoek van de aanvraag tot gezinshereniging, blijkt dat de partnerrelatie in werkelijkheid niet duurzaam en stabiel is. In dat verband dient erop te worden gewezen dat de verplichtingen tot samenwoning en getrouwheid die door artikel 213 van het Burgerlijk Wetboek worden opgelegd aan gehuwden niet gelden voor wettelijk samenwonenden.

 

In het licht van de door de wetgever nagestreefde doelstelling is het derhalve pertinent om niet enkel te vereisen dat het partnerschap wettelijk is geregistreerd, doch tevens dat het bewijs wordt geleverd dat de relatie duurzaam en stabiel is op het ogenblik van de aanvraag tot gezinshereniging.

 

B.8.2. Luidens de in het geding zijnde bepaling is het duurzaam en stabiel karakter van de partnerrelatie aangetoond in drie gevallen : (1) indien de partners bewijzen dat zij gedurende minstens één jaar, voorafgaand aan de aanvraag, hebben samengewoond; (2) indien zij bewijzen dat zij elkaar sedert ten minste twee jaar, voorafgaand aan de aanvraag, kennen en het bewijs leveren dat zij regelmatig, telefonisch, via briefwisseling of elektronische berichten met elkaar contact onderhielden en dat zij elkaar in de twee jaar voorafgaand aan de aanvraag driemaal ontmoet hebben en dat deze ontmoetingen in totaal 45 of meer dagen betreffen; (3) indien de partners een gemeenschappelijk kind hebben.

 

B.8.3. Die drie gevallen, waarvan de naleving niet dient te worden gecontroleerd in het kader van artikel 1476bis van het Burgerlijk Wetboek, geven de vreemdeling die een verblijfsrecht in het kader van gezinshereniging wil verkrijgen en de partner bij wie hij zich wil voegen, voldoende mogelijkheden om aan te tonen dat hun partnerrelatie duurzaam en stabiel is. Aldus kunnen de voorwaarden, die door de in het geding zijnde bepalingen worden gesteld aan de wettelijk samenwonende partners, niet als onevenredig met de door de wetgever nagestreefde doelstellingen worden beschouwd.

 

B.9.1. Het feit dat ook artikel 1476bis van het Burgerlijk Wetboek het tegengaan van misbruiken bij de totstandkoming van schijnsamenwoning beoogt, ontneemt de in het geding zijnde bepalingen hun verantwoording niet.

 

B.9.2. De personen die een verklaring van wettelijke samenwoning afleggen met louter de bedoeling een verblijfsstatuut te verkrijgen, maken misbruik van zowel het burgerrechtelijk instituut van de wettelijke samenwoning als van de procedure voor gezinshereniging. Terwijl artikel 1476bis van het Burgerlijk Wetboek dat misbruik beoogt tegen te gaan op het niveau van de registratie van de wettelijke samenwoning door te peilen naar de intenties van de betrokkenen, beoogt de in het geding zijnde bepaling een onderzoek naar de werkelijke duurzaamheid en de stabiliteit van de samenwoning in het kader van de verblijfsreglementering.

 

B.9.3. Beide controles worden uitgevoerd door onderscheiden administraties, te weten de ambtenaar van de burgerlijke stand en de Dienst Vreemdelingenzaken. Beide procedures hebben ook onderscheiden rechtsgevolgen : terwijl de controle bedoeld in de artikelen 1476bis en 1476quater van het Burgerlijk Wetboek kan leiden tot een weigering om melding te maken van de verklaring van wettelijke samenwoning in het bevolkingsregister en tot strafsancties, leidt de controle bedoeld in de in het geding zijnde bepaling tot de weigering om een verblijfstitel toe te kennen op grond van gezinshereniging.

 

Het gaat om complementaire procedures die elkaar versterken, aangezien de artikelen 63, §§ 3 en 4, 167, 1476, § 1, vierde lid, en 1476quater van het Burgerlijk Wetboek, alsook de omzendbrief van 17 september 2013 « betreffende de gegevensuitwisseling tussen de ambtenaren van de burgerlijke stand en de Dienst Vreemdelingenzaken ter gelegenheid van een huwelijksaangifte of een verklaring van een wettelijke samenwoning van een vreemdeling in illegaal of precair verblijf » (Belgisch Staatsblad van 23 september 2013) in dit kader voorzien in een uitwisseling van gegevens tussen de ambtenaren van de burgerlijke stand en de Dienst Vreemdelingenzaken.

 

B.9.4. Ten slotte dient erop te worden gewezen dat het verschil in behandeling waarover het Hof wordt ondervraagd het gevolg is van de keuze die partners maken voor de ene of de andere samenlevingsvorm. De wetgever heeft redelijkerwijze kunnen oordelen dat de samenwonende partners die ervoor kiezen door de wettelijke samenwoning en niet door het huwelijk te worden verbonden, de voor- en nadelen van de ene en de andere samenlevingsvorm kennen en de juridische gevolgen van hun keuze aanvaarden.

 

B.10. De in het geding zijnde bepaling heeft geen gevolgen die onevenredig zijn met het nagestreefde doel en is bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

 

B.11. De combinatie van die grondwetsbepalingen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens is niet van die aard dat ze tot een ander resultaat leidt. Uit die internationale verdragsbepaling vloeit immers geen algemene verplichting voort om een vreemdeling die een verklaring van wettelijke samenwoning met een niet-Unieburger aflegt, een verblijfsrecht toe te kennen (vgl. EHRM, 28 mei 1985, Abdulaziz, Cabales en Balkandali t. Verenigd Koninkrijk, § 68) en belet niet dat de gezinshereniging aan voorwaarden wordt onderworpen.

 

Gelet op hetgeen voorafgaat, is de inmenging in het privé- en gezinsleven van de betrokken vreemdeling, die voortvloeit uit de in het geding zijnde bepaling, redelijk verantwoord.

 

B.12. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.