Europees Hof voor de Rechten van de Mens
12148/18
(A.M. t. Frankrijk) Geen schending art. 3 EVRM (verbod op foltering en onmenselijke en vernederende behandeling) – uitwijzing naar Algerije – risico op foltering van man veroordeeld wegens terrorisme in Frankrijk

In deze zaak oordeelt het EHRM dat de uitwijzing naar Algerije van een man, veroordeeld in Frankrijk voor terrorisme, artikel 3 EVRM niet schendt.

 

Feiten: uitwijzing van terrorismeveroordeelde naar Algerije

 

De verzoeker, een Algerijns onderdaan, woont sinds 2008 in Frankrijk met een verblijfstitel van tien jaar. In 2015 veroordeelt de correctionele rechtbank van Parijs hem tot zes jaar cel voor deelname aan de activiteiten van een terroristisch netwerk (Al-Qaeda in de islamitische Maghreb). In 2018 betwist hij tevergeefs zijn uitwijzing naar Algerije voor de Franse administratieve rechtbanken.

 

In maart 2018 verzoekt het EHRM, als voorlopige maatregel op basis van artikel 39 van het procedurereglement, de Franse regering om zijn uitwijzing te schorsen gedurende de behandeling van de zaak. De verzoeker diende nadien nog een asielaanvraag in die werd verworpen. Voor het EHRM beweert hij dat hij een reëel risico loopt op folteringen of onmenselijke of vernederende behandelingen (verboden door artikel 3 van het EVRM) bij terugkeer naar Algerije.

 

Geen schending van artikel 3 EVRM bij uitwijzing naar Algerije

 

In tegenstelling tot wat het EHRM in februari 2018 in de zaak M.A. t. Frankrijk[1] heeft beslist, meent het nu dat de uitwijzing van verzoeker artikel 3 EVRM niet zou schenden. Het EHRM onderzoekt de zaak in twee stappen: ten eerste, analyseren de rechters de algemene situatie in Algerije ten aanzien van mishandelingen van personen betrokken bij terrorisme; ten tweede buigen ze zich over de persoonlijke situatie van de verzoeker.   

 

Het EHRM verklaart deze andere conclusie door de evolutie van de algemene situatie in Algerije sinds februari 2015, waar de analyse in de zaak M.A. is gestopt. Op basis van verschillende rapporten (waarvan de relevante delen als bijlage aan het arrest toegevoegd zijn) merkt het EHRM op dat een grondwetsherziening een aantal grondrechten heeft versterkt en dat de inlichtingen- en veiligheidsdienst (DRS, “département du renseignement et de la sécurité”), verantwoordelijk voor talrijke mishandelingen, is ontbonden. Het EHRM noteert ook dat rapporten van staatsautoriteiten (zoals het VS staatsdepartement en de UK Home Office) en van NGO’s (Amnesty en Human Rights Watch) voor 2017-2018 geen meldingen maken van mishandeling op personen betrokken bij terrorisme. Het EHRM vindt het ook belangrijk dat (niet geïdentificeerde) Algerijnse NGO’s tijdens een ontmoeting in 2017 bij de Britse ambassade in Algiers verklaard hebben dat ze geen bewijzen hadden van mishandelingen strijdig met artikel 3 EVRM. Het EHRM stelt vast dat de afwezigheid van dergelijke meldingen gepaard gaat met de hervorming van de Algerijnse veiligheidsdiensten. Het EHRM verwijst ook naar de rechtspraak van verschillende lidstaten (waaronder een beslissing van het Duitse federale administratieve Hof) die concludeert dat de uitwijzing van individuen betrokken bij terrorisme naar Algerije geen schending van artikel 3 EVRM met zich meebrengt. Hoewel het VN-mensenrechtencomité zich nog zorgen maakt over bepaalde punten, zoals de maximale duur van de arrestatie bij de politie (tot 12 dagen bij verdachten van terrorisme), de problematische toegang tot medische bijstand of tot een advocaat, kan dit niet meer leiden tot het bestaan van een algemeen risico van mishandeling voor een gehele categorie (verdachten van terrorisme in Algerije).

 

Vervolgens onderzoekt het EHRM de persoonlijke situatie van de verzoeker. De vrees van dhr. A.M. berust op twee punten: zijn banden met de jihadistische cel van Annaba, en de kennis van zijn Franse veroordeling door de Algerijnse autoriteiten. Op dat vlak vindt het EHRM evenmin dat zijn vrees een ernstig risico op mishandeling vormt. De Algerijnse autoriteiten hebben via een verbale nota aan hun Franse tegenhangers bevestigd dat verzoeker geen onderwerp is van enige strafvervolging en dat zijn strafblad blanco is. Het EHRM merkt ook op dat de Annabacel al lang ontbonden is en dat de veroordeelde leden van die cel na hun vrijlating geen mishandeling hebben aangegeven. Hoewel de Algerijnse autoriteiten zeker kennis hebben van de veroordeling van de verzoeker in Frankrijk, toont niets aan dat de verzoeker een bijzonder doelwit zou worden. Bovendien zijn eventuele controlemaatregelen en zelfs gerechtelijke vervolgingen op zich geen schending van artikel 3 EVRM, volgens het EHRM. In casu is het EHRM van oordeel dat formele diplomatieke garanties van de Algerijnse autoriteiten niet nodig zijn. Rekening houdend met al die elementen besluit het EHRM dat de uitwijzing van dhr. A.M. artikel 3 EVRM niet zou schenden.   




[1] EHRM 1 februari 2018, nr. 9373/15, M.A. t. Frankrijk