Europees Hof voor de Rechten van de Mens
63311/14
(Hoti t. Kroatië) Schending art. 8 EVRM (recht op privé- en familieleven) – geen schending artikel 14 EVRM (verbod van discriminatie) – staatloosheid – VN-Verdrag betreffende de status van Staatlozen

Het EHRM veroordeelt Kroatië voor een schending van artikel 8 EVRM omdat het gedurende vele jaren heeft nagelaten de verblijfsstatus van een staatloze man te regulariseren. Het EHRM kende een morele schadevergoeding van 7.500 euro toe.

 

In dit arrest doet het EHRM beroep op de relevante VN-verdragen omtrent staatloosheid en houdt het rekening met de wijze waarop de staatloosheid van de verzoeker een invloed had op de toegang tot zijn rechten. Het UNHCR kwam ook tussen in deze zaak.

 

Feiten: staatloze man na meer dan 40 jaar nog geen duurzaam verblijf

 

Dhr. Hoti werd in 1962 geboren in de autonome regio Kosovo in de voormalige Socialistische Federale Republiek Joegoslavië (SFRJ). Zijn ouders waren politieke vluchtelingen uit Albanië. In 1979 verhuisde hij naar Kroatië, dat op dat moment deel uitmaakte van de SFRJ, en waar hij sindsdien altijd heeft gewoond.  De verzoeker is staatloos. Tijdens het bestaan ​​van de voormalige SFRJ werd zijn verblijfsstatus in Kroatië geregulariseerd door de erkenning van de gevolgen van zijn woonplaats in Kosovo en de status van vluchteling die de lokale autoriteiten aldaar aan zijn ouders hebben verleend.

 

Na het uiteenvallen van de voormalige SFRJ heeft zijn verblijfsstatus echter vele stadia en wettelijke regimes doorgemaakt. Zijn aanvraag voor de Kroatische nationaliteit en een permanente verblijfsvergunning werden afgewezen.  Vanaf 2011 was zijn status afhankelijk van een jaarlijkse verlenging van een verblijfsvergunning op humanitaire gronden. Op grond van de nationale wet had de aanvrager daarvoor een geldig reisdocument nodig of, bij gebrek daaraan, de toestemming van het Ministerie van Binnenlandse Zaken, die discretionair was. In 2014 werd hem een ​​verlenging geweigerd wegens het niet verstrekken van een geldig reisdocument.

 

De verzoeker richt zich tot het EHRM waar hij een schending inroept van artikel 8 EVRM omdat hij zijn verblijfsstatus in Kroatië niet kon regulariseren, waardoor hij problemen ondervond om werk te vinden, en zijn pensioenrechten op te bouwen of een ziekteverzekering te verwerven.

 

EHRM stelt vast dat de verzoeker staatloos is

 

Een opvallend aspect van dit arrest is dat het EHRM op eigen initiatief bepaalt dat verzoeker staatloos is (§ 110), ondanks het feit dat de staat dat feit betwist. De aanvrager werd geboren op het grondgebied van Kosovo, toen een autonome provincie van Servië binnen de Socialistische Federale Republiek Joegoslavië. Zijn ouders waren politiek vluchtelingen uit Albanië, en genoten een vluchtelingenstatus in SFRY. In 1979, op 17-jarige leeftijd, verhuisde de aanvrager naar Kroatië, waar hij sindsdien woont.

 

Tijdens de verschillende langdurige procedures betreffende de verblijfsrechten van verzoeker is herhaaldelijk beweerd, dat hij onderdaan is van Albanië, of van Kosovo. Verwijzingen naar zijn Albanese en Kosovaarse nationaliteit zijn te vinden in verschillende officiële documenten van de SFRJ en de Kroatische autoriteiten. Kroatië stelt voor het EHRM dat de heer Hoti onderdaan is van Albanië. Er zijn geen schriftelijke verklaringen van de Albanese autoriteiten waarin wordt bevestigd of ontkend dat de aanvrager hun onderdaan is, aan het EHRM voorgelegd.  Bewijs dat hij staatloos is, blijkt onder meer uit de in Kosovo afgegeven geboorteakte, volgens welke hij geen enkele nationaliteit heeft, alsmede de verklaring van verzoeker dat hij probeerde contact op te nemen met de autoriteiten van Albanië en de Federale Republiek Joegoslavië (terwijl het bestond), waar hem mondeling werd meegedeeld dat hij geen onderdaan van die landen is.

 

Het EHRM verweet de staat niet rechtstreeks voor het niet hebben van een procedure voor het vaststellen van de status van staatloosheid, maar vroeg zich af waarom de staatloosheid van de aanvrager nooit formeel op nationaal niveau is vastgesteld. Er wordt herhaaldelijk benadrukt dat staatloosheid in dit geval een relevant feit is dat heeft bijgedragen aan de conclusie van het Hof dat Kroatië in strijd met het verdrag werd bevonden.

 

EHRM: schending artikel 8 EVRM

 

Het EHRM onderzoekt in deze zaak of de Kroatische autoriteiten een doeltreffende en toegankelijke procedure of combinatie van procedures hadden geboden waardoor Dhr. Hoti zijn verblijf en status in Kroatië kon regulariseren, en of de overheid hierbij zijn privéleven in acht had genomen. Het EHRM merkt hierbij op dat zijn situatie door zijn staatloosheid complex is en hierdoor niet kan vergeleken worden met die van “settled migrants”, waarrond het EHRM al heel wat jurisprudentie heeft ontwikkeld. Het EHRM onderzoekt de zaak wel in het licht van zijn rechtspraak en principes daaruit met betrekking tot de klachten van vreemdelingen die, ongeacht jarenlang daadwerkelijk in een lidstaat verbleven te hebben, hun verblijfsstatus niet konden regulariseren of waarbij dat ten onrechte langdurig aansleepte.[1] Het EHRM herhaalt dat maatregelen die het recht op verblijf beperken, in bepaalde gevallen een schending van artikel 8 EVRM kunnen inhouden, indien deze onevenredige repercussies hebben voor het privé- of gezinsleven van de verzoeker. Artikel 8 EVRM kan ook een positieve verplichting inhouden om een ​​verzoeker een effectief en toegankelijk middel te bieden om zijn rechten uit hoofde van dat artikel te genieten.

 

Het EHRM stelt vast dat dhr. Hoti zonder twijfel een privéleven in Kroatië heeft in de zin van artikel 8 EVRM. Hij woont er al meer dan 40 jaar, heeft er verschillende jobs gedaan en heeft sociale banden opgebouwd. Tegelijkertijd heeft hij nog steeds een precaire verblijfsstatus in Kroatië. Die precaire situatie heeft gevolgen op zijn privéleven: moeilijkheden om werk te vinden, gevolgen voor zijn pensioenrechten, etc. De verzoeker is werkloos en zijn kans om werk te vinden werd de facto belemmerd bij gebrek aan een verblijfsstatus. Het vooruitzicht dat hij een normale ziektekostenverzekering of pensioenrechten kan verwerven, werd daarom ook negatief beïnvloed. De onzekerheid over zijn verblijfsstatus heeft zijn privéleven nadelig beïnvloed. In die beoordeling houdt het EHRM rekening met de hoge leeftijd van verzoeker en het feit dat hij bijna veertig jaar in Kroatië heeft gewoond zonder dat hij een formele of feitelijke band heeft met een ander land.

 

Het EHRM kijkt vervolgens naar de verschillende procedures die Dhr. Hoti heeft ondernomen om zijn verblijfsstatus te regulariseren. Volgens de nationale wetgeving zijn staatlozen niet verplicht een geldig reisdocument te hebben bij het aanvragen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd in Kroatië. Dit is echter van beperkte relevantie omdat staatlozen vijf jaar ononderbroken tijdelijk verblijf in Kroatië nodig hebben om een ​​permanente verblijfsvergunning te kunnen aanvragen, en daarvoor is wel een geldig reisdocument vereist. In werkelijkheid zijn staatloze personen dus verplicht aan vereisten te voldoen die zij uit hoofde van hun status niet kunnen vervullen. Dit is volgens het EHRM ook in strijd met de beginselen die voortvloeien uit het VN-Verdrag betreffende de status van staatlozen.

 

Zijn tijdelijk verblijf op humanitaire gronden kon verlengd worden met instemming van het ministerie. Deze toestemming is echter zuiver discretionair, werd niet op consistente wijze toegepast en leek geen rekening te houden met de bijzondere kenmerken van de situatie en het privéleven van verzoeker. De nationale rechters hebben deze kwestie ook niet in aanmerking genomen bij het onderzoek van de klachten van verzoeker.

 

Het EHRM oordeelt dat Kroatië niet heeft gezorgd voor een effectieve en toegankelijke procedure, waarbij het rekening heeft gehouden met zijn privéleven, om hem in staat te stellen zijn verdere verblijf en status in het land te regulariseren.

 




[1] zie Kurić ea, reeds aangehaald, §§ 357-58; Jeunesse, reeds aangehaald, § 105; BAC tegen Griekenland, nr. 11981/15, § 36, 13 oktober 2016; en Abuhmaid v. Oekraïne, nr. 31183/13, §§ 116-18, 12 januari 2017