Europees Hof voor de Rechten van de Mens
46240/15
(A.S. t. Frankrijk) Geen schending art. 3 EVRM (verbod van foltering en onmenselijke en vernederende behandeling) – uitwijzing naar Marokko – geen risico op foltering van verdachte van terrorisme in Marokko – schending artikel 34 EVRM (medewerking met het Hof) – te snelle uitwijzing – effectieve uitwijzing ondanks voorlopige maatregel (art. 39 procedurereglement)

Volgens het EHRM heeft Frankrijk artikel 3 EVRM niet geschonden bij de uitwijzing van een terrorismeverdachte naar Marokko. Artikel 34 EVRM werd wel geschonden door het niet naleven van de voorlopige maatregel genomen door het EHRM.

 

Feiten: uitwijzing van terrorismeverdachte naar Marokko

 

De feiten zijn vergelijkbaar met de hierboven beschreven zaak M.A. t. Frankrijk. De verzoeker verblijft sinds 1991 in Frankrijk en heeft in 2002 de Franse nationaliteit verkregen. Na zijn veroordeling voor terroristische activiteiten krijgt hij een inreisverbod (als strafrechtelijke maatregel). Zijn Franse nationaliteit wordt ook vervallen verklaard. In 2015 dient hij een asielaavraag in: hij vreest gefolterd te worden bij terugkeer naar Marokko. Op 25 augustus 2015 wordt zijn asielaanvraag geweigerd. Op 21 september is Marokko bepaald als bestemmingsland voor de uitvoering van het inreisverbod. Op 22 september is verzoeker effectief naar Casablanca gerepatrieerd ondanks een voorlopige maatregel genomen door het EHRM op basis van artikel 39 van het Procedurereglement. Bij aankomst in Marokko werd verzoeker aangehouden en vervolgd wegens terrorisme. Hij wordt pas in december 2016 vrijgelaten omdat hij in Marokko werd veroordeeld voor dezelfde feiten die al werden behandeld tijdens een proces in Frankrijk.

 

Voor het EHRM beweert verzoeker dat zijn uitwijzing naar Marokko artikel 3 EVRM geschonden heeft.

 

Geen schending artikel 3 EVRM

 

Terwijl de feiten van deze zaak niet veel verschillen van de situatie in de zaak M.A. t. Frankrijk, komt het EHRM tot een andere conclusie en beslist het dat de uitwijzing van A.S. naar Marokko artikel 3 EVRM niet geschonden heeft.

 

Het EHRM volgt de redenering van de Franse asielinstantie OFPRA die eiste van verzoeker dat hij het risico op foltering door de Marokkaanse autoriteiten in concreto aannemelijk maakt in verband met zijn persoonlijke situatie. Het inroepen van verschillende rapporten over het gebruik van foltering op terrorismeverdachten volstaat dus niet meer. Het EHRM merkt op dat verzoeker geen element rond eventuele mishandeling door de Marokkaanse autoriteiten van zijn medebeklaagden in het Parijse terrorismeproces kon leveren. Volgens het EHRM verschilt deze zaak van de zaak M.A. op twee vlakken. Ten eerste, heeft Marokko wel stappen ondernomen om foltering te bestrijden (wat niet in Algerije gebeurd is). Ten tweede is verzoeker in deze zaak vrijgelaten voor de beslissing van het EHRM. In tegenstelling tot M.A. kon hij dus wel meer bewijzen over de eventuele mishandeling van zijn medebeklaagden voorleggen (§ 62). Volgens het EHRM vormt de loutere aanhouding van verzoeker bij zijn aankomst op de luchthaven zonder contact met zijn familie gedurende 8 dagen geen mishandeling in de zin van artikel 3 EVRM, gezien de toegang tot een advocaat wel verzekerd werd. Het EHRM weerlegt de klacht i.v.m. de slechte detentieomstandigheden in Marokko omdat de verzoeker geen voldoende bewijzen kan voorleggen (hij heeft enkel een eigen beschrijving zonder medisch attest).

 

Schending artikel 34 EVRM: gebrek aan medewerking door snelle uitwijzing

Ook in deze zaak werd de uitwijzingsbeslissing op het laatste nippertje betekend, de dag van de vrijlating van verzoeker. De advocaat kon ook een voorlopige maatregel bij het EHRM bekomen. De griffie van het EHRM heeft om 10u45 de Franse autoriteit  gecontacteerd om de datum van de uitwijzing te kennen en heeft de voorlopige maatregel om 12u05 bevestigd. Toch is de vlucht naar Casablanca om 12u45 met verzoeker vertrokken.  

Het EHRM merkt op dat de locale autoriteit bevoegd voor de betekening van de uitwijzing (de “préfecture”) op 21 september aan de advocaat van verzoeker had gemeld dat er nog geen beslissing was genomen. Toch was de beslissing al op 14 augustus genomen en hebben de autoriteiten tot de dag van vrijlating van verzoeker gewacht om ze te betekenen. Op die dag kon de advocaat van verzoeker niemand bereiken bij de prefecture. Volgens het EHRM heeft deze late betekening, gevolgd door de effectieve uitwijzing pas 5 uur nadien, ervoor gezorgd dat verzoeker het naleven van artikel 3 EVRM niet dienstig kon afdwingen. Daardoor heeft Frankrijk artikel 34 EVRM geschonden.

 

In een opinie licht rechter O’Leary haar standpunt toe. Ze is van mening dat artikel 34 niet geschonden is.