Europees Hof voor de Rechten van de Mens
75157/14
(Bistieva en anderen t. Polen) Schending art. 8 EVRM (recht op gezinsleven) – detentie in aangepast centrum voor gezinnen met minderjarige kinderen – belang van het kind – detentie als uiterste maatregel – plicht om alternatieven voor detentie te overwegen

Het EHRM veroordeelt Polen voor een schending artikel 8 EVRM voor de opsluiting van een Russische moeder met 3 kinderen in gesloten centrum aangepast voor gezinnen met kinderen. De detentie duurde 5 maanden en 20 dagen.

 

Feiten: een moeder met 3 kinderen meer dan 5 maanden in detentie in aangepast gesloten centrum

 

In 2012 dient het Russische gezin Bistieva (een koppel met twee kinderen) een asielaanvraag in Polen in. Na de weigering van die aanvraag vlucht het gezin naar Duitsland, waar Mevrouw Bistieva bevalt. In januari 2014 worden de moeder en haar drie kinderen in het kader van een Dublin-overdracht overdragen aan Polen. De vader verbleef op dat ogenlijk in een ziekenhuis in Duistland. Hij vervoegt hen pas op 20 februari 2014. Bij aankomst in Polen worden ze opgesloten in het gesloten centrum van Ketrzyn, een centrum aangepast voor gezinnen met minderjarigen. Er is specifieke aandacht voor de minderjarigen zowel wat betreft infrastructuur (geen tralies aan de binnenkant van de ramen maar enkel op de buitenkant en geen enkel tralies in woonkamers, individuele kamers voor elk gezin, collectieve woonkamer met TV en videospelletjes, bibliotheek met boeken in het Russisch, toegang tot een buiten speelplein voor kinderen…), als op vlak van activiteiten (leerkrachten en studenten pedadogie die er les geven, recreatieve activiteiten geleid door stafmedewerker van het centrum gekleed in burger…).

 

Hun pogingen om hun vrijlating te bekomen via nieuwe asielaanvragen of via verschillende beroepen mislukten. Het gezin wordt uiteindelijk eind juni 2014 vrijgelaten. Nadien zijn ze opnieuw naar Duitsland gevlucht, waar ze nu verblijven.  

 

Voor het EHRM beweert Mevrouw Bistieva (verzoekster) dat de detentie met haar drie kinderen artikel 5 (recht op vrijheid) en artikel 8 (recht op gezinsleven) van het EVRM geschonden heeft.

 

Schending artikel 8 EVRM: Polen hield niet voldoende rekening met het belang van het kind

 

In deze zaak pleit de Poolse regering dat er geen sprake is van een inmenging in het gezinsleven omdat de moeder nooit van haar kinderen werd gescheiden. Het EHRM herhaalt dat het louter feit dat de gezinseenheid behouden is niet volstaat om te beweren dat het recht op gezinsleven nageleven wordt, in het bijzonder als het gezin opgesloten wordt. Het EHRM heeft al beslist dat een detentie van zes maanden moet beschouwd worden als een inmenging in het gezinsleven (o. m. in de zaak Popov t. Frankrijk nr. 39472/07 van 19 januari 2012 en A.B. t. Frankrijk nr. 11593/12 van 12 juli 2016). Het EHRM moet dus beslissen of de inmenging in het gezinsleven al dan niet aan de drie voorwaarden van artikel 8 § 2 EVRM voldoet: 1) door de wet voorzien, 2) een legitiem doel nastreven en 3) noodzakelijk in een democratische samenleving. De detentie wordt door de Poolse wet voorzien. Het EHRM oordeelde eerder al dat detentie met het oog op uitwijzing een wettig doel nastreeft in de zin van art. 8 § 2 EVRM. De evenredigheidstoets vormt dus de kern van de analyse en moet, volgens het EHRM, rekening houden met het Kinderrechtenverdrag en het belang van het kind. Het EHRM herhaalt dat er in het internationaal recht ruime consensus bestaat dat in alle beslissingen betreffende kinderen, het belang van het kind moet primeren.

 

Hoewel het centrum van Ketrzyn aangepast is voor gezinnen en positief geëvalueerd is door een NGO (Helsinki Foundation), moet het toch beschouwd worden als een detentieoord volgens het EHRM (§84). Volgens het EHRM beperkt het belang van het kind zich niet tot het behouden van de gezinseenheid. De autoriteiten moeten alle nodige maatregelen nemen om, in de mate van het mogelijk, de detentie van gezinnen te beperken.

 

In casu is het EHRM van oordeel dat een duidelijk risico op onderduiken bestond in hoofd van het gezin omdat ze eerder naar Duitsland waren gevlucht. Toch had de overheid dat risico opnieuw moeten onderzoeken nadat de vader de rest van het gezin vervoegd had. Het EHRM stelt vast dat de Poolse autoriteiten geen alternatieven voor detentie hebben overwogen, zelfs na de hereniging van de vader met zijn gezin. Daardoor is de administratieve detentie van het gezin Bistieva niet toegepast als een uiterst middel door de Poolse autoriteiten. Het EHRM noteert ook de duur van de detentie: 5 maanden en 20 dagen, wat veel langer is dan in andere zaken waarin Frankrijk is veroordeeld: 15 dagen in de zaak Popov, 18 dagen in de zaak A.B., 10 dagen in de zaak R.C. en V.C. en 9 dagen in de zaak R.K. en anderen (zie §87 van het arrest voor volledige referenties). Rekening houdend met die elementen besluit het EHRM dat, zelfs als het risico op onderduiken wel bestond, de Poolse overheid geen voldoende redenen kon voorleggen om een detentie van 5 maanden en 20 dagen te rechtvaardigen. Daardoor heeft Polen artikel 8 EVRM geschonden.

 

Het EHRM verklaart het deel van het verzoekschrift over de wettigheid van de detentie (artikel 5 EVRM) onontvankelijk omdat het gezin de interne rechtsmiddelen op dat vlak in Polen niet heeft uitgeput.