Europees Hof voor de Rechten van de Mens
23887/16
(I.M. t. Zwitserland) Schending van art. 8 EVRM (recht op gezins- en privéleven) – uitwijzing van gevestigde vreemdeling naar Kosovo – openbare orde – gedrag na veroordeling – gezondheidssituatie – onvoldoende belangenafweging

Volgens het EHRM zou de uitwijzing van een invalide man naar Kosovo, 12 jaar na zijn eenmalige veroordeling wegens verkrachting, artikel 8 EVRM schenden.

 

Feiten: uitwijzing van Kosovaarse man wegens zedenfeiten 

 

De verzoeker is een Kosovaarse man, die sinds 1993 wettig in Zwitserland verblijft (op basis van een asielaanvraag en nadien gezinshereniging). In 2003 werd hij tot twee jaar en drie maanden cel veroordeeld voor zedenfeiten (verkrachting). Als bijkomende straf krijgt hij een inreisverbod van 12 jaar op het Zwitserse grondgebied. De verzoeker probeert zijn uitwijzing voor de Zwitserse rechtbanken te betwisten door zowel zijn gezinsleven als zijn gezondheidstoestand in te roepen. In 2013 erkenden de Zwitserse autoriteiten hem als invalide (80% invaliditeit) en krijgt hij een uitkering die later na de bevestiging van zijn uitwijzing wordt stopgezet. In 2015 bevestigt de federale administratieve rechtbank de uitwijzing van de verzoeker.

 

Voor het EHRM beweert de verzoeker dat zijn uitwijzing naar Kosovo zijn recht op gezins- en privéleven (artikel 8 EVRM) alsook het verbod op foltering en onmenselijke en vernederende behandeling (artikel 3 EVRM) zou schenden.

 

Inmenging in zowel privé- als gezinsleven van verzoeker

 

Rekening houdend met de duur van zijn verblijf in Zwitserland meent het EHRM zonder twijfel dat de uitwijzing van de verzoeker een inmenging in zijn recht op privéleven vormt. De vraag is of een dergelijke uitwijzing ook een inmenging in zijn gezinsleven is omdat zijn drie kinderen allemaal meerderjarig zijn. In principe is er geen sprake van gezinsleven tussen ouders en hun volwassen kinderen tenzij er een bijzondere afhankelijkheidsrelatie is. In casu stelt het EHRM vast dat zo’n afhankelijkheidsrelatie bestaat tussen de verzoeker en zijn drie kinderen. Ze nemen hem niet enkel financieel ten laste maar moeten hem ook dagelijks verzorgen omdat hij niet meer in staat is om zich te wassen en te kleden. Het EHRM houdt rekening met de verslechtering van de gezondheidsituatie sinds het Zwitserse vonnis van 2015 aangezien artikel 8 EVRM een ex nunc onderzoek vereist (§ 61). Op basis van die feiten beslist het EHRM dat de uitwijzing een inmenging zowel in zijn privé- als in zijn gezinsleven vormt.

 

Dat een dergelijke inmenging door de wet voorzien is en een wettig doel nastreeft doet hier geen vragen rijzen. De discussie draait rond de evenredigheid ervan.

 

Schending artikel 8 EVRM: onvoldoende belangenafweging door de Zwitserse rechtbanken

 

Het EHRM herhaalt zijn recente rechtspraak: als de interne autoriteiten een voldoende en overtuigend onderzoek hebben gevoerd van de relevante elementen, zal het EHRM in principe zijn eigen beoordeling niet substitueren aan die van de interne rechtbanken[1] (§73). Maar het EHRM kan dit wel doen als de nationale autoriteiten een onvoldoende belangenafweging gemaakt hebben van de verschillende relevante criteria (duur van het verblijf, ernst van de misdrijven, gezinsbanden, gezondheidssituatie, gedrag sinds de veroordeling…). In casu oordeelt het EHRM dat de Zwitserse federale administratieve rechtbank de proportionaliteitstoets op een oppervlakkige wijze heeft gevoerd. De Zwitserse rechters die 12 jaar na de veroordeling de zaak onderzochten, hebben geen enkele rekening gehouden met de evolutie van het gedrag van verzoeker (die sindsdien geen enkel feit gepleegd heeft). De rechtbank heeft het gevolg van de 80% invaliditeit op het risico op recidive ook volledig genegeerd. Andere belangrijke criteria uit de rechtspraak zijn ook niet onderzocht zoals de sociale, culturele en affectieve banden van verzoeker met zowel Kosovo als Zwisterland en zijn gezondheidssituatie. Wat dat laatste punt betreft merkt het EHRM op dat hoewel de rechtbank de afhankelijkheidssituatie van verzoeker heeft erkend, het de concrete gevolgen ervan op zijn recht op gezinsleven niet grondig heeft geanalyseerd. Volgens het EHRM is er dus geen sprake van een echte belangenafweging door de nationale autoriteiten in deze zaak: de Zwitserse rechters hebben niet aangetoond dat de uitwijzing van verzoeker noodzakelijk is in een democratische samenleving. Het EHRM concludeert dus unaniem dat artikel 8 EVRM geschonden zou zijn bij uitwijzing van de verzoeker.

 

Rekening houdend met de vaststelling van een schending van artikel 8, weigert het EHRM de zaak aan artikel 3 EVRM te toetsen.




[1] Zie ook zaak Narijs t. Italië, 14 februari 2019, nr. 57433/15, waarbij het Hof weigert het standpunt van de Italiaanse autoriteiten te herzien (herhaalde feiten van drugs en diefstal).